Alle soorten › Genten en aalscholvers

Genten en aalscholvers | Suliformes

Gannets and cormorants | Alcatraces y cormoranes

Genten, aalscholvers, slangenhalsvogels en fregatvogels: vogels die hun voedsel duikend of stotend uit het water halen. Alle vier de tenen zijn door zwemvliezen verbonden — ook de achterteen, die naar voren is gedraaid om mee te doen — en de uitwendige neusgaten zijn dichtgegroeid, zodat de vogel door de bek ademt en bij het te water gaan geen water binnenkrijgt. De keelhuid is onbevederd en rekbaar, zodat een grote vis in één keer naar binnen kan, en klieren boven de ogen scheiden het zeezout uit dat daarbij mee naar binnen gaat. Ze broeden in dichte kolonies en hebben geen broedvlek: de eieren worden warm gehouden onder de sterk doorbloede zwemvliezen, en de jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei en blijven lang op het nest. Aan de westkust zijn de kolonies geheel afhankelijk van de sardien- en ansjovisscholen die de koude opwelling daar voedt, en lopen de aantallen mee met de verplaatsingen van die vis.

Families in deze orde

  • Fregatvogels | Fregatidae2 soortenEen familie van vijf tropische zeevogels. In het gidsgebied is de Amerikaanse fregatvogel algemeen langs vrijwel alle kusten; de Ascensionfregatvogel is als dwaalgast vastgesteld in de Bahama's. Fregatvogels hebben ten opzichte van hun gewicht het grootste vleugeloppervlak van alle vogels: lange, smalle, gehoekte vleugels en een diep gevorkte staart. Op opstijgende lucht stijgen ze hoog op en glijden ze lange afstanden uit, vaak zonder een vleugelslag. Het verenkleed is niet waterafstotend en de poten zijn kort en zwak, zodat ze niet zwemmen en alleen in bomen, struiken of op rotsen landen. Ze grijpen vliegende vissen en inktvissen al vliegend van het wateroppervlak en achtervolgen ook genten, keerkringvogels en sterns tot die hun buit loslaten. Ze broeden in kolonies in mangroven en struiken op eilanden, zoals op Barbuda. Daar blazen mannetjes een felrode keelzak op om vrouwtjes te lokken. Het ene jong wordt lang door de ouders gevoerd, waardoor vrouwtjes vaak maar eens per twee jaar broeden.
  • Genten | Sulidae4 soortenGrote zeevogels met een sigaarvormig lijf, lange spitse vleugels en een wigvormige staart; de zware kegelvormige snavel heeft geen haak, maar wel fijn gezaagde snijranden die een gladde vis vasthouden. De ogen staan ver naar voren en geven het dieptezicht dat de stootduik vraagt: van tien tot dertig meter hoogte valt de vogel met de vleugels naar achteren het water in, waarbij luchtzakken onder de huid van kop, hals en borst de klap opvangen. Boven de koude opwelling langs de westkust jagen ze in dichte zwermen op de scholen sardien en ansjovis, samen met zeehonden, dolfijnen en pijlstormvogels. De gent broedt in kolonies van tienduizenden paren op enkele rotseilanden en guano-platformen, met één ei per jaar op een opgehoogde nestkom van uitwerpselen en wier, terwijl de genten van het geslacht Sula in de tropische wateren rond de oostelijke kusten en eilanden losser en in kleinere aantallen nestelen. Het jong komt zwart en naakt uit het ei en heeft drie tot vier jaar nodig voor het volwassen kleed.
  • Slangenhalsvogels | Anhingidae1 soortEen kleine familie van vier soorten in tropische en subtropische zoete wateren. In het gidsgebied komt de Amerikaanse slangenhalsvogel voor, vooral op Cuba en Trinidad, en in kleiner aantal elders, onder meer in de Bahama's en de Caymaneilanden. Hij lijkt op een aalscholver met een slanker lichaam, een lange, waaiervormige staart en een zeer lange, dunne hals. Een scharnier tussen de achtste en negende halswervel laat de gebogen hals als een veer naar voren schieten, zodat de vogel onder water met de rechte, spitse snavel een vis spiest. Hij zwemt vaak diep weggezonken, met alleen kop en hals boven water, wat de naam verklaart. De veren laten water door, wat het drijfvermogen vermindert en geruisloos jagen onder water mogelijk maakt; daarna zit de vogel lang met gespreide vleugels te drogen. In de vlucht wisselt hij klapwieken af met zweven en cirkelt hij op thermiek. Slangenhalsvogels broeden in bomen boven het water, vaak samen met reigers en aalscholvers.
  • Aalscholvers | Phalacrocoracidae2 soortenLanggerekte, donkere watervogels met een lange hals en een snavel die aan de punt scherp gehaakt is: de vis wordt vastgegrepen, niet gespietst. Ze duiken vanaf het wateroppervlak en zwemmen onder water met beide voeten tegelijk; de poten staan ver naar achteren, waardoor lopen moeizaam gaat, en de stugge wigvormige staart doet dienst als roer. Het verenkleed laat zich deels doordrenken, wat het drijfvermogen vermindert maar de vogel dwingt na het vissen met halfgespreide vleugels te drogen — de houding waaraan de hele familie te herkennen is. Het nest van takken of wier staat in kolonieverband op rotsen, in bomen of in riet; drie tot vier bleekblauwe eieren onder een krijtachtige laag, en naakte jongen die na enkele dagen zwart dons krijgen.