De leefgebieden van het Caribisch gebied
Elke soort in deze gids is gekoppeld aan de leefgebieden waar hij in het Caribisch gebied het meest voorkomt. De indeling is voor deze gids gemaakt: de landtypen volgen A Guide to Caribbean Vegetation Types (Areces-Mallea e.a., 1999), aangevuld met typen die vogelaars op de eilanden onderscheiden; voor kust en zee is de CMECS gebruikt. Er zijn tien hoofdgroepen, van zee tot bebouwd gebied, en daaronder een reeks specifiekere formaties. Per vogel staan er enkele van die formaties: niet alles waar hij ooit is gezien, maar waar hij werkelijk thuishoort.
Klik op een leefgebied voor de beschrijving.
Zee A
Alle leefgebieden waarin zeewater bepalend is, van de diepe Caribische Zee en de Atlantische Oceaan tot de heldere ondiepten rond de eilanden. De onderverdeling volgt diepte en bodem: de open oceaan voorbij de rand van het plat, het kustwater erboven, en twee bodemgebonden formaties, het koraalrif en de zeegrasvelden. Voor vogels loopt het bereik van stormvogels die alleen in het donker aan land komen tot sterns en pelikanen die vlak onder de kust vissen.
-
Open oceaan A1
Caribische Zee
32 soorten
Het diepe water voorbij de rand van het continentaal plat, waar de bodem steil wegzakt naar honderden of duizenden meters. Die rand is de grens met Kustwater en continentaal plat; rif en zeegras liggen altijd daarbinnen. Het water is warm, helder en arm aan voedsel; drijvend sargassowier en de plekken waar vis naar de oppervlakte wordt gedreven zijn de oases. Zwartkapstormvogel zoekt hier voedsel, ver van hun broedplaatsen in de bergen van Hispaniola, samen met Sargassopijlstormvogel, Wilsons stormvogeltje, Bonte stern, Brilstern, Maskergent en Roodsnavelkeerkringvogel.
-
Kustwater en continentaal plat A2
Cuba vanuit de ruimte (satellietbeeld)
39 soorten
Het open water boven het continentaal plat, van de branding tot de rand waar Open oceaan begint. Waar de bodem bepalend wordt, met rif of zeegras, horen de plekken bij Koraalrif of Zeegrasvelden en ondiepe baaien; wat droogvalt hoort bij de kust. Brede platen liggen rond Cuba en Trinidad, waar rivierwater het water troebel en voedselrijk maakt. Hier jagen de vogels die je vanaf elke kade ziet: Bruine pelikaan stoot neer op scholen sardines, Amerikaanse fregatvogel pikt vis van het oppervlak, en Koningsstern, Grote stern en Lachmeeuw vissen vlak onder de kust.
-
Koraalrif A3
Nationaal Park Arrecifes de Cozumel, Mexico
4 soorten
Ondiep, helder zeewater boven een bodem die door koralen is opgebouwd, van het rifplat achter de branding tot de rifhelling die afdaalt naar de diepte. Waar de bodem uit zand met zeegras bestaat begint Zeegrasvelden en ondiepe baaien; het water boven kaal zand of slib hoort bij Kustwater en continentaal plat. Riffen omzomen een groot deel van de eilanden, met lange barrièreriffen langs Andros en de Cubaanse cayería's en franjeriffen rond Bonaire en de Kleine Antillen. Vogels gebruiken het rif als visgrond: Noddy, Brilstern en Dougalls stern pikken visjes uit de branding, Bruine gent duikt in de geulen en Visarend jaagt boven het heldere water.
-
Zeegrasvelden en ondiepe baaien A4
Turtle Beach, Akumal, Mexico
26 soorten
Ondiepe, beschutte zee met een zandbodem waarop zeegras groeit, vooral schildpaddengras, Thalassia testudinum, in baaien, achter riffen en op de uitgestrekte banken. Het verschil tussen eb en vloed is in het Caribisch gebied klein; wat toch droogvalt hoort bij Getijdenvlakte en modderbank en de rifbouw zelf bij Koraalrif. De Grote Bahamabank en de Golf van Batabanó ten zuiden van Cuba zijn de grootste voorbeelden. Hier waden en duiken de vogels: Roodhalsreiger staat in het ondiepe, Middelste zaagbek overwintert er, en Amerikaanse dwergstern en Visarend vissen boven de velden.
Kust B
De smalle strook waar zee en land elkaar raken, van stranden en rotskusten tot mangroven en zoutpannen, en de kleinste eilandjes die nauwelijks boven water uitsteken. De onderverdeling volgt de ondergrond en het water: los zand, kale rots, slik dat droogvalt, bos met de voeten in zout water, ingedampte lagunes, en losse cays. Voor vogels is de kust het drukste leefgebied van de eilanden: hier overwinteren de steltlopers uit het noorden en broeden de zeevogels.
-
Zandstrand en strandwal B1
Zandstrand met duinvegetatie
40 soorten
Zandstranden van koraal- of vulkanisch zand met de strandwal en lage duinen erachter, tot waar struikgewas of bos een gesloten dek vormt. Kale rots en kalkterrassen horen bij Rotskust en kalkkliffen, slikkig zand dat bij laagwater droogvalt bij Getijdenvlakte en modderbank. Op de strandwal groeien kruipende zoutplanten als strandwinde, Ipomoea pes-caprae, en daarachter zeedruif, Coccoloba uvifera. Drieteenstrandloper en Steenloper zoeken voedsel in de vloedlijn, Dikbekplevier en Amerikaanse dwergstern broeden op het open zand, en Dwergplevier overwintert op rustige stranden van de Bahama's.
-
Rotskust en kalkkliffen B2
Kustkliffen van Watamula, Curaçao
18 soorten
Kusten van kale rots, van lage kalkterrassen tot steile kliffen boven de branding. Waar zand de rots bedekt begint Zandstrand en strandwal, en kleine rotseilandjes voor de kust horen bij Rotseilandje en koraalcay. Langs veel kusten ligt grillige, door zout en golfslag uitgevreten koraalkalk, de diente de perro van Cuba en de ironshore van de Bahama's en de Kaaimaneilanden. Op de vulkanische Kleine Antillen en op Tobago vallen de kliffen loodrecht in zee. In holten en op richels in de kliffen broeden Roodsnavelkeerkringvogel en Witstaartkeerkringvogel; op de rotsen in de spatzone zoeken Steenloper en Amerikaanse oeverloper voedsel.
-
Getijdenvlakte en modderbank B3
Getijdenvlakten bij Long Island, Bahama's (ISS-foto)
74 soorten
Kale vlakten van slik of slibrijk zand die bij laagwater droogvallen. Los droog zand hoort bij Zandstrand en strandwal, waar bomen opslaan begint Mangrove, en ingedampte vlakten met zoutkorst achter de kust horen bij Zoute lagune en zoutpan. Omdat het getij hier klein is, zijn de vlakten meestal smal of liggen ze in baaien en monden, zoals in de Golf van Paria langs Trinidad en op de binnenzijde van Andros. Ze zijn het belangrijkste voedselgebied voor overwinterende en doortrekkende steltlopers: Kleine grijze snip, Grijze strandloper, Alaskastrandloper en Willet. Op Trinidad foerageert hier ook de Rode ibis.
-
Mangrove B4
Rode mangrove, San Salvador, Bahama's
181 soorten
Bos en struweel van zoutverdragende bomen in de getijdenzone. Kale slikvlakten zonder bomen horen bij Getijdenvlakte en modderbank, en waar het water landinwaarts zoet wordt gaat mangrove over in Moerasbos en palmmoeras. Aan de zeekant staat rode mangrove, Rhizophora mangle, op stelwortels, en daarachter zwarte mangrove, Avicennia germinans, met ademwortels. Uitgestrekt zijn de mangroven langs de Cubaanse kust en cayería's, op Andros en in Caroni Swamp op Trinidad. Kenmerkend zijn Mangrovekoekoek, Mangrovezanger en Klapperral; Witkapduif broedt er in kolonies en in Caroni slaapt de Rode ibis.
-
Zoute lagune en zoutpan B5
Zoutpannen van Pekelmeer, Bonaire
114 soorten
Ondiepe kustlagunes met brak tot zeer zout water en de zoutpannen die erachter indampen. Ze staan via een geul of door de bodem met zee in verbinding; geïsoleerde zoutmeren in het binnenland horen bij Binnenlands brak- en zoutwatermeer, slik in open verbinding met het getij bij Getijdenvlakte en modderbank. Ze zijn typisch voor de droge eilanden: Bonaire, Curaçao, de Turks- en Caicoseilanden, Inagua en Anguilla. Op de pannen van Bonaire en Inagua broedt Rode flamingo; verder foerageren hier Amerikaanse steltkluut, Kleine geelpootruiter, Steltstrandloper en Roodhalsreiger, en op de drooggevallen randen broeden Sneeuwplevier en Amerikaanse dwergstern.
-
Rotseilandje en koraalcay B6
Exuma-eilanden, Bahama's
25 soorten
Kleine, onbewoonde eilandjes van rots of koraalzand, kaal of met lage zoutplanten en struiken. Cays die door mangrove worden bedekt horen bij Mangrove, grotere eilanden met bos bij de landformaties, en kale rots aan de kust van een groot eiland bij Rotskust en kalkkliffen. Zulke eilandjes liggen verspreid over het hele gebied, van de cays van de Bahama's en de Pedro Cays bij Jamaica tot Little Tobago. Zonder ratten, katten en mensen zijn ze de broedplaatsen van de zeevogels: Bonte stern en Noddy in grote kolonies, verder Brilstern, Bruine gent, Maskergent en Roodpootgent, terwijl Amerikaanse fregatvogel boven de kolonies patrouilleert.
Binnenwater C
Het open zoete en brakke water van het binnenland. Op de kalkeilanden verdwijnt regenwater snel in de bodem, zodat natuurlijke meren schaars zijn en stuwmeren een groot deel van het open water leveren. De onderverdeling volgt stroming en zoutgehalte: meren en vijvers, rivieren en beken, en de brakke en zoute meren in het binnenland zonder verbinding met zee. Waar moerasplanten het water overgroeien begint de groep moerassen. Voor vogels zijn het winterplaatsen van eenden en het domein van futen en ijsvogels.
-
Meer en vijver C1
Étang Saumâtre, Haïti
119 soorten
Staand zoet water met een open wateroppervlak: natuurlijke meren, vijvers, cenotes, stuwmeren en visvijvers. Waar riet, biezen of drijvende planten het water grotendeels bedekken begint Zoetwatermoeras met riet en biezen; brak of zout water in het binnenland hoort bij Binnenlands brak- en zoutwatermeer. Grote stuwmeren liggen op Cuba, Hispaniola en Puerto Rico; op de kleinere eilanden gaat het vaak om vijvers en waterbekkens. Amerikaanse dodaars en Dikbekfuut duiken langs de oevers, Amerikaanse meerkoet en Rosse stekelstaart zwemmen in het open water, en in de winter rusten Ringsnaveleend, Kleine topper en Blauwvleugeltaling op de grotere plassen.
-
Rivier en beek C2
Rivier Chavón, La Romana, Dominicaanse Republiek
56 soorten
Stromend zoet water, van snelle bergbeken tot trage benedenlopen. Waar het getij binnendringt en het water brak wordt gaat de rivier over in Mangrove of Getijdenvlakte en modderbank; stilstaande armen en stuwmeren horen bij Meer en vijver, en het bos langs de oevers bij de bosformaties. Echte bergbeken stromen in de hoge gebergten van Hispaniola, Jamaica, Puerto Rico en de vulkanische Kleine Antillen; de langste rivieren liggen op Cuba en Hispaniola. In de winter lopen Louisianawaterlijster en Amerikaanse oeverloper langs de stenen, Bandijsvogel zit op uitkijk boven de poelen, en Groene reiger jaagt in de schaduw van de oever.
-
Binnenlands brak- en zoutwatermeer C3
Meer van Enriquillo, Dominicaanse Republiek
22 soorten
Brakke en zoute meren in het binnenland, zonder open verbinding met zee, gevoed door regen, bronnen en grondwater en geconcentreerd door verdamping. Kustlagunes en zoutpannen die met zee in verbinding staan horen bij Zoute lagune en zoutpan; zoete meren bij Meer en vijver. Het bekendste voorbeeld is het Lago Enriquillo in de Dominicaanse Republiek, dat onder zeeniveau ligt, met het brakke Étang Saumâtre aan Haïtiaanse kant; ook op de Bahama's liggen zoute meren midden op de eilanden. Rode flamingo filtert het ondiepe water, Rode lepelaar en Amerikaanse steltkluut foerageren langs de oever, en Bahamapijlstaart zwemt op het open water.
Moerassen D
Natte gebieden met zoet of hooguit licht brak water, waarin niet het open water maar de begroeiing het beeld bepaalt. Open meren en rivieren staan bij het binnenwater, mangrove en zoute lagunes bij de kust. De onderverdeling volgt de hoogte van die begroeiing: kruidachtig moeras met zegge en riet, moerasbos en palmmoeras met bomen, en savanne die alleen in de regentijd onder water staat. Hier wonen rallen, waterhoenders en reigers, en met de Zapatawinterkoning en de Zapataral twee vogels die nergens anders ter wereld leven.
-
Zoetwatermoeras met riet en biezen D1
Moeras (ciénaga)
138 soorten
Open moeras van zegge, biezen, riet en lisdodde op zoet water, zonder bomen van betekenis. Waar struiken en bomen het overnemen, begint moerasbos en palmmoeras; waar het moeras in de droge tijd droogvalt en gras overheerst, de overstroomde savanne; waar het water dieper en open wordt, meer en vijver. Het grootste moeras van de eilanden is de Ciénaga de Zapata op Cuba, met uitgestrekte velden zaaggras, Cladium jamaicense; op Trinidad is Nariva het belangrijkste. Hier leven de Zapatawinterkoning en de Zapataral, de roodschoudertroepiaal broedt in het riet, en Amerikaans purperhoen, Amerikaanse dodaars en slakkenwouw zijn er gewoon. Op Trinidad komen geelkaptroepiaal, bonte watertiran en witkopwatertiran erbij.
-
Moerasbos en palmmoeras D2
Pterocarpusbos, Puerto Rico
58 soorten
Bos en palmbos op grond die het grootste deel van het jaar nat is of onder water staat, met zoet tot licht brak water. Waar zout water de bomen voedt, is het mangrove, die bij de kust hoort; waar de bomen wegvallen en riet en zegge overblijven, zoetwatermoeras met riet en biezen. Op Puerto Rico en Guadeloupe vormt Pterocarpus officinalis met zijn plankwortels zulke bossen achter de mangrove; op Trinidad liggen in Nariva palmmoerassen van moriche, Mauritia flexuosa, en koningspalm. In Zapata breekt het moeras op in eilanden van moerasbos. De West-Indische fluiteend rust overdag in zulk bos, de Noordse waterlijster overwintert er, en in de palmen van Nariva leven roodbuikara, zwaveltiran en Braziliaanse palmgierzwaluw.
-
Overstroomde savanne D3
Aripo-savannes, Trinidad
60 soorten
Grasvlakten die in de regentijd onder water lopen en in de droge tijd uitdrogen. Het verschil met zoetwatermoeras met riet en biezen is dat het water hier niet blijft staan en dat grassen en lage zeggen overheersen in plaats van hoog riet; met savanne en open grasland deelt het de openheid, maar die blijft het hele jaar droog. Op Cuba liggen zulke savannes in laaggelegen vlakten met slecht doorlatende grond; op Trinidad is de Aripo-savanne het bekendste voorbeeld. In het natte seizoen foerageren witte ibis, zwarte ibis, rosse fluiteend en koerlan op het ondergelopen gras, in de droge tijd Canadese kraanvogel en witkaakweidespreeuw, en op Trinidad jaagt de savannebuizerd erboven.
Graslanden E
Open land waar grassen en kruiden de toon zetten en bomen hooguit verspreid staan. Door mensen aangelegd weiland hoort bij akkers en plantages, en grasland dat elk jaar onder water loopt bij de moerassen. De onderverdeling volgt de hoogte: savanne en open grasland in het laagland, vaak op arme zandgrond of kalk, en bergweide in de hooglanden, vooral op Hispaniola. Voor vogels zijn dit plekken om op de grond zaden en insecten te zoeken en er te broeden, en jachtgebied voor roofvogels en uilen.
-
Savanne en open grasland E1
Aripo-savannes, Trinidad
153 soorten
Laaglandgrasland met verspreide palmen, struiken of bomen, van nature open gehouden door arme grond, brand of droogte. Waar het in de regentijd onder water loopt, wordt het overstroomde savanne; waar struiken sluiten, doornstruweel en cactusscrub; waar mensen het als veeweide beheren, weiland en kleinschalig landbouwmozaïek. Cuba heeft de grootste savannes, onder meer op witte zandgrond in Pinar del Río en op het Isla de la Juventud, waar de vatpalm, Colpothrinax wrightii, opvalt; op Hispaniola en Trinidad zijn ze kleiner. Hier lopen Canadese kraanvogel en witkaakweidespreeuw, de holenuil broedt in de grond, en killdeerplevier, sprinkhaangors en kleine Cubavink zoeken er voedsel. Op Trinidad is de vorkstaartkoningstiran een opvallende verschijning.
-
Bergweide en hooggelegen grasland E2
La Piedra Letreada, Constanza, Dominicaanse Republiek
4 soorten
Grasland hoog in de bergen, waar kou, wind en brand de bomen op afstand houden. Waar struiken de overhand krijgen, gaat het over in bergstruweel; waar de pijnbomen een gesloten bos vormen, in pijnbos; lager in de bergen in savanne en open grasland. In het Caribisch gebied is dit vooral een formatie van de Cordillera Central op Hispaniola, met open graslanden rond Valle Nuevo en op de toppen bij de Pico Duarte, waar het 's nachts kan vriezen. Het gras staat er vaak tussen losse pijnbomen, Pinus occidentalis. Roodkraaggors en Haïtisijs zoeken zaden op de grond, de goudzwaluw jaagt laag over de hellingen, en roodstaartbuizerd en Amerikaanse torenvalk speuren er naar prooi.
Struweel F
Begroeiing van struiken en lage bomen zonder gesloten bladerdak, lager en opener dan bos. De onderverdeling volgt wat de begroeiing laag houdt: droogte bij doornstruweel en cactusscrub, zout en wind bij kust- en strandstruweel, hoogte en blootstelling bij bergstruweel, en een arme, metaalrijke bodem bij serpentijnstruweel. Op de droge eilanden en langs de kusten is struweel het belangrijkste leefgebied op het land, en veel endemische zangvogels, duiven en kolibries zijn er goed op ingesteld.
-
Doornstruweel en cactusscrub F1
Nationaal Park Washington Slagbaai, Bonaire
114 soorten
Droog struweel van doornige struiken, agaven en zuilcactussen op plekken met weinig regen en een lang droog seizoen. Waar de bomen een gesloten dak vormen, gaat het over in droog loofbos; vlak aan zee, waar zoute wind de vorm bepaalt, in kust- en strandstruweel. Het is kenmerkend voor Aruba, Curaçao en Bonaire, met de door de passaat scheefgeblazen dividivi, Libidibia coriaria, en voor het zuiden van Hispaniola rond het Enriquillomeer en de zuidkust van oostelijk Cuba bij Guantánamo. Op de ABC-eilanden leven er naaktoogduif, maïsparkiet, tropische spotlijster, gele troepiaal en kuifcaracara; op Hispaniola de Hispaniolahagedissenkoekoek en de platsnavelvireo, en bij Guantánamo de Cubaanse muggenvanger en Forns zanger.
-
Kust- en strandstruweel F2
Playa Sucia, Cabo Rojo, Puerto Rico
103 soorten
Laag, door de zoute wind geschoren struweel direct achter het strand en op kalkrots langs de kust, met zeedruif, Coccoloba uvifera, knopmangrove, Conocarpus erectus, en taaie kruiden. Het kale zand ervoor hoort bij zandstrand en strandwal; waar de begroeiing hoger wordt en een bladerdak sluit, begint kustbos; landinwaarts, buiten bereik van het zout, doornstruweel en cactusscrub. Het is wijdverbreid op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en de cayos voor de noordkust van Cuba, zoals Cayo Coco. Daar leven de Cubaanse muggenvanger, de Zapatagors en de Bahamaspotlijster; verder zijn dikbekvireo, Bahamaboself, maskergrondvink en Antilliaanse treurduif typische bewoners.
-
Bergstruweel F3
Top van Mount St. Catherine, Jamaica (840 m)
11 soorten
Dicht, laag struikgewas van taaie, kleinbladige struiken en jonge bomen op hoge bergkammen en hellingen, vaak na brand of op plekken met veel wind. Het verschil met nevelwoud en elfenwoud is dat daar een gesloten, bemost dwergbos staat en hier een opener en droger struikgewas; met bergweide en hooggelegen grasland deelt het de hoogte, maar daar overheerst het gras. Het grootst is het op Hispaniola, in de Cordillera Central en de Sierra de Bahoruco; op andere hoge eilanden blijft het bij kleine stukken. Op Hispaniola zijn dichte struikgewassen in de bergen het domein van de oostelijke tapuittangare, de westelijke tapuittangare en de groenstaartzanger, en roodkraaggors en Hispaniolaspindalis komen er geregeld voor.
Bos G
Alle leefgebieden met een gesloten of bijna gesloten kronendak van bomen, van het lage droogbos achter de kust tot het bemoste dwergbos op de hoogste toppen. De onderverdeling volgt neerslag en hoogte: droog loofbos, halfgroen bos, laagland- en bergregenwoud en het nevelwoud daarboven. Drie formaties worden bepaald door boom, bodem of zee: pijnbos, kalksteenbos op karst en kustbos. Hier leven de meeste endemische vogels van de eilanden: todies, trogons, amazones, kwartelduiven en hagedissenkoekoeken.
-
Droog loofbos G1
Bos van Guánica, Puerto Rico
256 soorten
Laag bos waarin de meeste bomen in de droge wintermaanden kaal staan. Waar meer regen valt en het kronendak grotendeels groen blijft, begint het halfgroene en vochtige loofbos; waar de bomen uiteenvallen in cactussen en doornige struiken, het doornstruweel. Bos tussen kegelheuvels en dolines telt als kalksteenbos op karst. Droog loofbos groeit in de regenschaduw van de bergen: rond Guánica in Zuid-Puerto Rico, in de Hellshire Hills op Jamaica, in Zuidwest-Hispaniola en op de lage Kleine Antillen. Kenmerkend is de gumbo-limbo, Bursera simaruba, met rode, schilferende bast. De Puerto Ricaanse nachtzwaluw broedt hier op de strooisellaag; de Adelaides zanger, de dwergpauraque en de platsnavelvireo zijn er thuis.
-
Halfgroen en vochtig loofbos G2
Cuchillas de Toa, Cuba
374 soorten
Hoger en voller bos dan het droge loofbos: een deel van de bomen verliest in de droge tijd zijn blad, maar het kronendak blijft grotendeels groen. Waar het hele jaar regen valt en vrijwel niets kaal komt te staan, gaat het over in laaglandregenwoud. Dit was ooit het meest verbreide bos van de Grote Antillen en is grotendeels gekapt; resten liggen op heuvels, rond moerassen als de Ciénaga de Zapata op Cuba en in reservaten. Mahonie, Swietenia mahagoni, staat er tussen palmen en lianen. Het is kerngebied van de Cubaanse trogon, de Cubaanse todie, de blauwkopkwartelduif en Gundlachs havik; in de winter doorzoeken de ovenvogel en de bonte zanger strooisel en stammen.
-
Laaglandregenwoud G3
Tobago Forest Reserve, Tobago
150 soorten
Altijd groen, hoog en gelaagd bos van laagland en lagere hellingen, zonder droog seizoen van betekenis. Het halfgroene en vochtige loofbos kent wel een droge tijd met deels kale bomen; hogerop, waar de bomen lager worden en boomvarens talrijk, begint het bergregenwoud. Het grootst is het op Trinidad en Tobago, in de Northern Range en op de Main Ridge. Verder groeit het aan de natte loefzijde van de hoge Kleine Antillen, in Oost-Cuba en als tabonucobos, naar Dacryodes excelsa, aan de voet van El Yunque op Puerto Rico. Op Trinidad leven de kuiforopendola, de groefsnaveltoekan en de goudkopmanakin, de Trinidadmotmot ook op Tobago, en de Puerto Ricaanse amazone hoort thuis in het tabonucobos.
-
Bergregenwoud G4
Regenwoud op Dominica
208 soorten
Nat bos op berghellingen, lager en dichter dan het laaglandregenwoud eronder, rijk aan boomvarens, palmen en epifyten. De grens met het nevelwoud en elfenwoud ligt waar de bomen in bijna voortdurende wolken krom en laag worden en mos alles bedekt. Het staat in de Blue Mountains van Jamaica, de Cordillera Central en Bahoruco op Hispaniola, de Massif de la Hotte in Haïti, de Sierra Maestra op Cuba, de Luquillo-bergen op Puerto Rico, met hele hellingen vol van de palm Prestoea montana, en op de vulkanen van Dominica, Sint-Lucia en Sint-Vincent. Hier leven de Hispaniolatrogon, de ringstaartduif en de roodkeelsolitaire, en elk op zijn eiland de keizeramazone en de Sint-Vincentamazone.
-
Nevelwoud en elfenwoud G5
Blue Mountains, Jamaica
65 soorten
Het bos van de hoogste kammen en toppen, waar wolken en wind bijna het hele jaar heersen. Tegenover het bergregenwoud eronder is het lager, met kromme, dicht opeenstaande stammen en een kronendak van soms maar enkele meters; mossen, bromelia's en orchideeën bekleden alles. Wordt de begroeiing nog lager en opener, dan is het bergstruweel. Elfenwoud staat op de toppen van de Luquillo-bergen en de Cordillera Central van Puerto Rico, op de hoogste kammen van de Blue Mountains en van Hispaniola, en op de vulkanen van de Kleine Antillen. De elfenwoudzanger is naar dit bos genoemd; op Hispaniola leven de Hispaniolalijster en de westelijke tapuittangare in nevelwoud, en de Bicknells dwerglijster overwintert er.
-
Pijnbos G6
Hispaniolaanse pijnbos, Haïti
91 soorten
Bos van naaldbomen, vaak open, met grassen, varens of struiken eronder en in stand gehouden door vuur. Niet de hoogte maar de boomsoort bepaalt deze formatie: pijnbos op dezelfde hoogte als bergregenwoud of droog loofbos telt hier, ook waar loofbomen eronder opschieten. Op Grand Bahama, Abaco en Andros staat de Caribische den, Pinus caribaea; op Cuba groeit pijnbos op arme zandgrond in het westen en op Isla de la Juventud, en Pinus cubensis op serpentijn in het oosten; op Hispaniola bedekt Pinus occidentalis de hogere bergen. De Bahamaboomklever en de Bahamazanger zijn aan dit bos gebonden, de olijfkapzanger en de dennenzanger leven er, en op Hispaniola eet de Hispaniolakruisbek dennenzaad.
-
Kalksteenbos op karst G7
Nationaal park Los Haitises, Dominicaanse Republiek
88 soorten
Bos op kale, verweerde kalksteen, waar dolines, kegelheuvels en steile mogotes het land vormen en aarde alleen in spleten en kuilen ligt. Dat onderscheidt het van droog en halfgroen loofbos, die door neerslag worden afgebakend: hier bepaalt de rots de begroeiing, met droog bos op de kammen en hoog bos in de vochtige dolines, vaak vlak naast elkaar. Grote karstgebieden zijn Cockpit Country op Jamaica, de noordelijke karstgordel van Puerto Rico, Los Haitises in de Dominicaanse Republiek en de mogotes van Viñales op Cuba. Cockpit Country is een bolwerk van de Jamaicaanse kraai, de zwartsnavelamazone en de geelsnavelamazone; Los Haitises is kerngebied van Ridgways buizerd, en op de Cubaanse mogotes zingt de Cubaanse solitaire.
-
Kustbos G8
Isla de Mona, Puerto Rico
138 soorten
Laag tot middelhoog bos direct achter het strand of op koraalkalk aan zee, gevormd door zout, wind en zand. Waar de begroeiing laag en open blijft is het kust- en strandstruweel, waar de bomen met hun wortels in getijdenwater staan mangrove; kustbos staat droog achter de vloedlijn en heeft een gesloten kronendak. Zeedruif, Coccoloba uvifera, en de giftige manchinelboom, Hippomane mancinella, bepalen het beeld op bijna alle eilanden van de Bahama's tot Tobago, al is veel verdwenen onder hotels en wegen. De witkapduif eet er vruchten, de Antilliaanse treurduif zoekt zaden op de grond, de mangrovekoekoek en de baardvireo broeden er, en voor trekvogels is het vaak de eerste beschutting na de oversteek.
Kliffen en grotten H
Kale of nauwelijks begroeide rots en holtes in het binnenland: steile wanden, kloven, grotten en zinkgaten. Zeekliffen en rotskust horen bij de kust, en bos op karst bij het bos. De onderverdeling scheidt het daglicht van de open rotswand van het donker onder de grond. Op de kalksteeneilanden is van beide veel te vinden, en vogels gebruiken ze vooral als nestplaats buiten bereik van rovers: gierzwaluwen, zwaluwen, uilen en enkele stormvogels broeden er.
-
Kliffen en rotshellingen H1
Klif op Isla de Mona, Puerto Rico
13 soorten
Steile rotswanden, kloven en puinhellingen in het binnenland, vaak van kalksteen, met hooguit wat varens, bromelia's en struiken in de spleten. De wanden aan zee vallen onder rotskust en kalkkliffen; waar de rots in holtes onder de grond verdwijnt, begint grotten en holen; waar bos de rots bedekt, kalksteenbos op karst. Kenmerkend zijn de mogotes van Viñales op Cuba en de steile bergwanden van het Massif de la Selle op Haïti, waar de zwartkapstormvogel in holen in de wand broedt. Witkraaggierzwaluw en Amerikaanse zwarte gierzwaluw nestelen op richels, vaak achter watervallen, en slechtvalk, Amerikaanse torenvalk en roodstaartbuizerd gebruiken de wanden als uitkijkpost.
-
Grotten en holen H2
Cueva del Indio, Viñales, Cuba
6 soorten
Grotten, holen en zinkgaten, van kleine overhangen tot diepe grottenstelsels en ingestorte dolines met bos op de bodem. Open rotswanden in het daglicht horen bij kliffen en rotshellingen, de begroeide karst eromheen bij kalksteenbos op karst. Kalksteeneilanden als Cuba, Jamaica, Puerto Rico en de Bahama's zijn rijk aan grotten, vaak met grote vleermuiskolonies. Op Trinidad broedt de vetvogel in kolonies in donkere grotten in de Northern Range en vliegt hij 's nachts uit om vruchten te zoeken. De holenzwaluw bouwt zijn nesten in grotingangen, Hispaniolakerkuil en Amerikaanse kerkuil rusten en broeden in grotten en dolines, en de witkraaggierzwaluw nestelt in natte grotten.
Akkers en plantages I
Alle grond die voor gewassen of vee is ontgonnen, van grote suikerrietvelden tot het lappendeken van kleine boerderijen. De onderverdeling volgt het gewas en de bewerking: open akkers, koffie en cacao onder schaduwbomen, rijstvelden en visvijvers, weiland met kleine boerderijen, en boomgaarden en kokosaanplant. Op veel eilanden heeft dit land een groot deel van het oorspronkelijke bos vervangen. Voor vogels is de waarde ongelijk: een kale monocultuur biedt weinig, maar schaduwkoffie, natte rijst en weiland met bomen trekken standvogels en wintergasten uit Noord-Amerika.
-
Suikerrietvelden en akkers I1
Aguada, Puerto Rico
53 soorten
Grote, open percelen met één gewas, vooral suikerriet, maar ook tabak, maïs en groente. Tegenover het weiland en kleinschalige landbouwmozaïek is het grootschalig en eentonig, zonder hagen of verspreide bomen; tegenover rijstveld en viskwekerij staat het niet onder water. Suikerriet bepaalde eeuwenlang het landschap van Cuba, Hispaniola, Jamaica en Barbados; op verschillende kleinere eilanden is de teelt gestopt en groeit het land dicht met struweel. Het riet zelf is een dichte massa met weinig voedsel, maar langs randen en greppels en na de oogst foerageren de koereiger en de Antilliaanse troepiaal, de Amerikaanse torenvalk jaagt vanaf palen en draden, en de Amerikaanse kerkuil zoekt er 's nachts naar ratten.
-
Koffie- en cacaoplantage I2
Dorp in de Blue Mountains, Jamaica
151 soorten
Koffie of cacao onder een laag schaduwbomen, vaak op berghellingen. Van bos verschilt het doordat de onderlaag een aangeplant struikgewas is en het kronendak bestaat uit geplante of gespaarde bomen zoals Inga; van de kokos-, citrus- en fruitplantage doordat onder die bomen nog een gewas staat. Koffie groeit in de Blue Mountains van Jamaica, het bergland van Puerto Rico, de Cordillera Central van Hispaniola en de Sierra Maestra op Cuba; cacao vooral in de Dominicaanse Republiek, op Trinidad en Grenada. Schaduwkoffie houdt veel bosvogels vast: de blauwe zwartkeelzanger en de Amerikaanse roodstaart overwinteren er, het suikerdiefje bezoekt de bloeiende schaduwbomen en de cacaolijster leeft in de cacaotuinen van Trinidad.
-
Rijstveld en viskwekerij I3
Rijstveld in Pinar del Río, Cuba
112 soorten
Kunstmatig onder water gezette velden en vijvers waarvan de mens het waterpeil regelt: rijst die wordt ingezaaid, onder water gezet en weer drooggelegd, en visvijvers die periodiek worden afgelaten. Daarin verschillen ze van het zoetwatermoeras met riet en biezen en van meer en vijver, waar het water zijn eigen ritme volgt. Rijst wordt op grote schaal verbouwd op Cuba en in de Cibao-vallei van de Dominicaanse Republiek; visvijvers liggen onder meer op Jamaica en Cuba. Het afwisselend natte en droge land trekt reigers, de zwarte ibis en de West-Indische fluiteend; in de trektijd strijken steltlopers als de kleine geelpootruiter neer, en in het najaar zoekt de bobolink er rijstkorrels.
-
Weiland en kleinschalig landbouwmozaïek I4
Weidelandschap, Dominicaanse Republiek
220 soorten
Graasland voor vee met verspreide bomen, levende hagen en kleine akkers, het lappendeken dat op veel eilanden het platteland vormt. Tegenover suikerrietvelden en akkers is het kleinschalig en afwisselend; tegenover savanne en open grasland is het gevormd door beweiding, maaien en aanplant en niet door vuur of bodem. Op Cuba bepalen weiden met koningspalmen, Roystonea regia, het beeld, op Hispaniola en Jamaica kleine boerderijen met bananen, maniok en bonen tegen de hellingen. De kleine ani en de koereiger volgen het vee, de grijze koningstiran en de roodstaartbuizerd jagen vanaf palen en losse bomen, de witkaakweidespreeuw zingt in de Cubaanse weiden, en op Hispaniola nestelt de palmtapuit in groepen in de koningspalmen.
-
Kokos-, citrus- en fruitplantage I5
Rivier Duaba, Baracoa, Cuba
107 soorten
Boomgaarden en aanplant van kokospalmen, citrus, mango en ander fruit, zonder gewas eronder. Tegenover de koffie- en cacaoplantage ontbreekt de struiklaag onder de bomen; tegenover het kustbos is de aanplant regelmatig en beheerd, ook waar kokospalmen vlak achter het strand staan. Kokosaanplant ligt langs veel kusten, citrus is vooral op Cuba verbouwd, en bananen waren lang het hoofdgewas van Dominica, Sint-Lucia en Sint-Vincent. Rijp fruit trekt vogels: de Hispaniolaspecht pikt in sinaasappels en geldt plaatselijk als plaag, de roodhalsduif eet er vruchten, het suikerdiefje bezoekt bloemen en rijp fruit, en de grijze koningstiran zit op uitkijk in de boomtoppen.
Bebouwd gebied J
Alles wat mensen hebben gebouwd: dorpen, steden, tuinen en parken, en de grote infrastructuur van havens, vliegvelden en bedrijventerreinen. Landbouwgrond en plantages vallen onder akkers en plantages. De onderverdeling scheidt de groene woonomgeving van de harde, open terreinen van verkeer en industrie. Voor vogels is bebouwd gebied een jong leefgebied waarin vooral aanpassers en ingevoerde soorten gedijen, maar ook menige endemische soort van tuinen en palmen voelt er zich thuis.
-
Dorp, stad en tuin J1
Vissersdorp Corossol, Saint-Barthélemy
265 soorten
Woonkernen van gehucht tot stad met hun tuinen, erven, parken, begraafplaatsen en lanen. Grote open terreinen van verkeer en industrie vallen onder haven, luchthaven en industrie; moestuinen en boomgaarden buiten de bebouwing onder akkers en plantages. Koningspalmen, mango's, broodvruchtbomen en bloeiende sierheesters bepalen het beeld. In de palmen van Hispaniola bouwt de palmtapuit zijn gezamenlijke nesten, en overal jaagt de Antilliaanse palmgierzwaluw rond de palmkruinen; suikerdiefje, Antilliaanse troepiaal, Caribische troepiaal en grijze koningstiran horen in veel stadjes bij het straatbeeld. Ingevoerde soorten als huismus, Turkse tortel, rotsduif en grote textorwever volgen de mens, en Antilliaanse treurduif en musduif lopen op de erven.
-
Haven, luchthaven en industrie J2
Haven van Gustavia, Saint-Barthélemy
37 soorten
Havens, kades, vliegvelden, wegen, vuilstortplaatsen en bedrijventerreinen: harde, open terreinen met weinig begroeiing. Woonwijken en tuinen vallen onder dorp, stad en tuin; zoutpannen, ook als ze worden geëxploiteerd, onder zoute lagune en zoutpan. In de meeste havens van het gebied zit de bruine pelikaan op de meerpalen, zweeft de Amerikaanse fregatvogel boven de kade en zoeken lachmeeuw en koningsstern naar vis en afval. Op het gras langs de startbanen foerageren koereiger en killdeerplevier, en de Antilliaanse nachtzwaluw jaagt er in de schemering. De holenzwaluw nestelt onder bruggen en in duikers, en rotsduif en huismus vinden er voedsel en nestplaatsen.
Indeling: eigen indeling voor het Caribisch gebied. Land: vegetatietypen naar Areces-Mallea, A.E. e.a. (1999), A Guide to Caribbean Vegetation Types (The Nature Conservancy), aangevuld met typen die vogelaars op de eilanden onderscheiden. Kust en zee: naar CMECS (Coastal and Marine Ecological Classification Standard). Geen bestaande standaard beslaat de hele Caribische eilandboog met zee, kust en land in één hiërarchie. De namen en beschrijvingen zijn voor deze gids geschreven.