Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Cubaanse nachtzwaluw
Cubaanse nachtzwaluw | Antrostomus cubanensis
Cuban Nightjar | Guabairo
De Cubaanse nachtzwaluw is een grote, donkere nachtzwaluw die alleen op Cuba en Isla de la Juventud voorkomt. Overdag rust hij op de bosbodem of op een lage tak en vertrouwt hij op zijn schutkleur; pas in de schemering wordt hij actief. Op Cuba heet hij guabairo. Samen met de Hispaniolanachtzwaluw Antrostomus ekmani werd hij vroeger als één soort opgevat, de Grote Antilliaanse nachtzwaluw; de American Ornithological Society houdt die ruime opvatting nog aan.
Geluid
De zang is een enkele, rasperige en zoemende toon die stijgt en weer daalt, met een licht dalende eindtoon, vaak lang herhaald in de schemering en bij maanlicht. Daarnaast korte, lage roepjes bij verstoring.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
25–29 cm, met een grote, platte kop, een kleine snavel met lange borstels en een lange, afgeronde staart. De bovendelen zijn donkerbruin, gespikkeld met grijsachtig en lichtbruin; de kruin heeft brede zwarte strepen. Het gezicht is geelbruin met donkere spikkels, de keel donkerbruin met kaneelkleurige vlekjes, de borst donkerbruin met lichte vlekken. De vleugels hebben geen witte vlek. Het mannetje heeft witte toppen aan de buitenste staartpennen, het vrouwtje bruingele. De ondersoort van Isla de la Juventud, insulaepinorum, is kleiner, donkerder en korter gestaard.
Verwarringssoorten
De Carolinanachtzwaluw Antrostomus carolinensis, een wintergast op Cuba, is iets groter, warmer roodbruin en lichter van tint; het mannetje heeft uitgebreider wit aan de binnenvlag van de buitenste staartpennen. Een zingende vogel in het broedseizoen is vrijwel zeker de Cubaanse soort. De Antilliaanse nachtzwaluw Chordeiles gundlachii heeft lange, spitse vleugels met een witte band, een gevorkte staart en jaagt hoog in de lucht boven open terrein.
Leefgebied
Dicht struweel, open bos, bosranden en de randen van moerassen, ook vrij gesloten bos, in droog laaglandbos, halfgroen bos, pijnbos en het kalksteenbos van de karstgebieden. Jaagt in de schemering en 's nachts op vliegende insecten, vaak vanaf een lage tak met korte uitvallen. Broedt van maart tot juli; de twee eieren worden zonder nestmateriaal op de grond gelegd, tussen het blad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Cuba, inclusief de grotere eilanden van de omliggende archipels, en op Isla de la Juventud (ondersoort insulaepinorum). Verspreid over het hele eiland waar bos of dicht struweel staat. Buiten Cuba komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste in de eerste uren na zonsondergang langs bospaden, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata en in de Sierra de la Güira, waar de zang de vogel verraadt. In het licht van een lamp lichten de ogen oranjerood op. Overdag rusten de vogels verborgen en worden ze meestal pas opgemerkt als ze van vlak voor de voeten opvliegen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, al wordt aangenomen dat de aantallen afnemen. Vernietiging van bos en uitgezette roofdieren zoals katten, honden en mangoesten zijn mogelijke bedreigingen voor deze grondbroeder.
Wetenschappelijke naam
Antrostomus cubanensis | Lawrence, 1861
Lawrence beschreef de soort in 1861 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Antrostomus werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Antrostomus is Grieks, van antron 'grot' en stoma 'mond': 'grotmond', naar de enorm wijde muil. cubanensis betekent 'uit Cuba', waar de soort endemisch is. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ciénaga de Zapata en de kust bij Manzanillo, Cuba.




