Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grote pijlstormvogel
Grote pijlstormvogel | Ardenna gravis
Great Shearwater | Pardela capirotada
De grote pijlstormvogel broedt vrijwel uitsluitend op een paar eilanden in de zuidelijke Atlantische Oceaan, in de Tristan da Cunha-groep en op Gough. Na de broedtijd trekt vrijwel de hele populatie langs de oostkust van Zuid- en Noord-Amerika naar het noorden, steekt in de nazomer de Atlantische Oceaan over en keert langs Europa en Afrika terug. Het Caribisch gebied ligt aan de westrand van de trekroute naar het noorden.
Geluid
Op zee meestal stil, maar in groepen rond voedsel of bij vissersschepen krassende, blatende geluiden. In de kolonie 's nachts klaaglijke, kreunende roepen.
Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
43–51 cm. Grote pijlstormvogel met een scherp afgetekende donkere kap tot onder het oog, die afsteekt tegen de witte keel en een witte, bijna gesloten halsband. Bovendelen grijsbruin met lichte randen, wat een geschubd patroon geeft; een smalle witte band over de bovenstaartdekveren vormt een hoefijzer boven de donkere staart. Onderdelen wit met een vuilbruine vlek midden op de buik en donkere onderstaartdekveren. Ondervleugel wit met donkere strepen over de oksel- en dekveren en een donkere achterrand. Snavel slank en donker. De vlucht is krachtig, met snelle, stijve slagen en lange glijvluchten. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Scopoli's pijlstormvogel Calonectris diomedea en Kuhls pijlstormvogel Calonectris borealis hebben een gele snavel, een kop die geleidelijk in de witte keel overgaat, geen halsband of buikvlek en een rustiger vlucht. De zwartkapstormvogel Pterodroma hasitata heeft eveneens een donkere kap en wit op nek en stuit, maar is kleiner, met een korte, dikke snavel, een wit voorhoofd, een brede witte stuit en een veel hogere, zwaaiende vlucht.
Leefgebied
Open oceaan, in het gebied vrijwel alleen ver uit de kust. Eet vis en inktvis, gepakt aan het oppervlak of met duiken; volgt vissersschepen en walvissen. Broedt in holen tussen graspollen en varens op de broedeilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Schaarse doortrekker op zee, vooral van mei tot juli tijdens de trek naar het noorden. De meeste waarnemingen komen uit de wateren bij de Kleine Antillen; bij de Bahama's, de Grote Antillen en de Maagdeneilanden is de soort zeldzaam. De verspreidingskaart toont aanwezigheid in de noordelijke zomer; het gaat om niet-broedende trekvogels. Buiten het gebied broedt de soort op Tristan da Cunha, Nightingale, Inaccessible en Gough, en in kleine aantallen op de Falklandeilanden. In de noordelijke zomer verblijven de meeste vogels in de noordwestelijke Atlantische Oceaan, onder meer voor Newfoundland en in de Golf van Maine.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een kans bestaat vrijwel alleen op pelagische tochten of bij zeetrektellingen in mei en juni. De donkere kap met witte halsband en de witte hoefijzervormige band op de stuit zijn ook op afstand te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie telt enkele miljoenen paren, maar is geconcentreerd op een paar eilanden, wat de soort kwetsbaar maakt voor ingevoerde zoogdieren op de broedplaatsen. Op zee sterven vogels als bijvangst in de visserij en door het inslikken van plastic.
Wetenschappelijke naam
Ardenna gravis | (O'Reilly, 1818) (GBIF: Puffinus gravis)
O'Reilly beschreef de soort in 1818 als Procellaria Gravis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. gravis is Latijn voor 'zwaar' of 'gewichtig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap Farvel op Groenland.
