Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Killdeerplevier

Killdeerplevier | Charadrius vociferus

Killdeer | Chorlito gritón

De killdeerplevier is een grote, langstaartige plevier met twee zwarte borstbanden, genoemd naar zijn luide roep. Anders dan de meeste plevieren leeft hij vaak ver van het water, op weilanden, akkers, vliegvelden en grindparkeerplaatsen. Op de Bahama's en de Grote Antillen broedt een eigen, standvogelende ondersoort, Charadrius vociferus ternominatus; in de winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij.

Killdeerplevier (Charadrius vociferus)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luidruchtig en dag en nacht te horen: een schel, herhaald kiel-die of die-ie, en bij opwinding een snel trillend ti-ti-ti-tirrr. Bij verstoring rond nest of jongen roept de vogel aanhoudend.

Luister: ZangXC1146761

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–28 cm, met een lange staart. Bovendelen egaal bruin, onderdelen wit, met twee zwarte borstbanden: een volledige band rond de hals en een tweede over de borst. Het gezicht toont een witte voorhoofdsvlek, een zwarte band boven het voorhoofd en een witte streep achter het oog; de oogring is rood. De snavel is zwart, de poten zijn vleeskleurig grijs. In vlucht zijn de lange, oranjerossige stuit en staartbasis, een brede witte vleugelstreep en de donkere staartband met witte randen kenmerkend. Jonge vogels hebben lichte zomen aan de veren van de bovendelen; donsjongen dragen al een enkele borstband.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse bontbekplevier Charadrius semipalmatus en de dikbekplevier Anarhynchus wilsonia hebben maar één borstband en zijn kleiner en kortstaartiger; de eerste heeft een korte oranje-zwarte snavel, de tweede een zware zwarte snavel. Geen andere plevier in het gebied heeft twee borstbanden en een oranjerossige stuit.

Leefgebied

Open terrein met korte of geen begroeiing: weilanden, akkers, sportvelden, golfbanen, vliegvelden, braakliggende bouwterreinen en grindwegen, en de randen van vijvers, rijstvelden en zoutpannen. Nestelt in een kaal kuiltje op de grond, soms op een grinddak of tussen stenen. Bij gevaar voor het nest volgt de bekende afleidingsvertoning met een schijnbaar gebroken vleugel.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden en de Kaaimaneilanden, op de meeste van deze eilanden algemeen; in de winter worden de aantallen aangevuld door trekvogels. Op Aruba jaarrond vrij algemeen, op Curaçao en Bonaire schaarser. Op de noordelijke Kleine Antillen, zoals Anguilla, Sint-Maarten en Antigua, regelmatig; verder naar het zuiden schaars tot zeldzaam, en op Trinidad en Tobago een zeldzame gast. Buiten het gebied in een groot deel van Noord-Amerika en Mexico, plaatselijk tot Panama, en met een aparte ondersoort in West-Ecuador, Peru en Noord-Chili.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op vrijwel elk vliegveld, sportveld en weiland op de Grote Antillen en de Bahama's; de roep verraadt de vogel meestal eerder dan het zicht. Een plevier die met een slepende vleugel wegloopt, leidt van een nest of jongen af; de plek wordt het best snel verlaten.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Volgens de IUCN is de wereldpopulatie in drie generaties met meer dan twintig procent afgenomen. In het Caribisch gebied blijft de soort op de Grote Antillen en de Bahama's algemeen; ze profiteert van ontboste en bebouwde open terreinen, maar nesten op wegbermen, velden en bouwterreinen lopen gevaar door maaien, verkeer en loslopende honden en katten.

Wetenschappelijke naam

Charadrius vociferus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Charadrius voerde hij in datzelfde werk in. Charadrius is laat-Latijn, uit het Griekse kharadrios: een onopvallend gekleurde nachtvogel van ravijnen en rivierdalen, van kharadra 'ravijn'. vociferus is Latijn, van vox 'roep' en ferre 'dragen': luidruchtig. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.