Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleine jager

Kleine jager | Stercorarius parasiticus

Parasitic Jaeger | Págalo parásito

De kleine jager is de jager die het vaakst dicht onder de kust komt. Hij leeft grotendeels van vis die hij in een snelle, wendbare achtervolging afpakt van sterns en kleine meeuwen. In het Caribisch gebied is hij een schaarse doortrekker en wintergast uit het arctische broedgebied.

Kleine jager (Stercorarius parasiticus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten het broedgebied vrijwel stil. Op de broedplaats jammerende, nasale roepen, zoals een herhaald ie-ah.

Luister: VluchtroepXC1168673

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

41–46 cm, bij volwassen vogels in broedkleed plus enkele centimeters verlengde middelste staartpennen. Slank, met smalle, spitse vleugels en een vrij fijne, donkere snavel. De verlengde staartpennen zijn bij volwassen vogels smal en spits. Lichte, donkere en tussenvormen komen voor. Lichte volwassen vogels hebben een donkere kap met een lichte vlek boven de snavelbasis, een witte of geelachtige hals, een witte buik en vaak een grijsbruine borstband; donkere vogels zijn egaal donkerbruin. Jonge vogels zijn zeer variabel, van licht tot bijna zwart, en vaak warm roestbruin getint, met lichte puntjes aan de handpennen en korte, spitse middelste staartpennen. In vlucht een witte vlek aan de basis van de handpennen, zonder tweede vlek op de ondervleugel.

Verwarrings­soorten

De middelste jager Stercorarius pomarinus is groter, met een zwaardere borst, een dikkere tweekleurige snavel, stompe lepelvormige staartpennen en een trager vlucht. De kleinste jager Stercorarius longicaudus is ranker, met een kleinere snavel, grijzere bovendelen met een donkere achterrand van de vleugel en slechts twee of drie witte pennenschachten aan de bovenzijde; jonge vogels zijn kouder grijs. Jonge lachmeeuwen Leucophaeus atricilla missen de witte handpenbasis en jagen geen andere vogels na.

Leefgebied

Kustwater en open zee, vooral waar sterns en kleine meeuwen vissen: baaien, riviermondingen, de buitenrand van riffen en zandbanken. Vaak minder ver uit de kust dan de andere jagers. Achtervolgt sterns en meeuwen met snelle, valkachtige wendingen tot ze hun vis loslaten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast in het hele gebied. Regelmatig gemeld rond de Bahama's, de Dominicaanse Republiek, Jamaica en Guadeloupe; op Cuba zeldzaam en vanaf Puerto Rico, Martinique, Barbados, Curaçao en Trinidad met weinig gevallen. Buiten het gebied broedt de soort circumpolair op de toendra en arctische kusten van Noord-Amerika en Eurazië, zuidelijk tot Schotland, en overwintert ze op zee voor de kusten van Zuid-Amerika, West- en Zuid-Afrika en Australië.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meeste kans geeft het volgen van groepen vissende sterns, bijvoorbeeld boven baaien of vanaf kapen in de trektijd. Een achtervolging, waarbij een donkere vogel een stern hoog de lucht in drijft, verraadt vaak de aanwezigheid van een jager. Jonge vogels zijn zeer variabel; let op vleugelvorm, snavel en de lichte puntjes aan de handpennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wereldwijd talrijk, maar in delen van Europa, zoals Schotland, nemen de broedaantallen sterk af door voedseltekort, samenhangend met de afname van zandspiering. Op zee raken vogels soms in vistuig verstrikt.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius parasiticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus parasiticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. parasiticus is Latijn voor 'parasitair', naar de gewoonte andere zeevogels hun vangst afhandig te maken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zweedse kust.