Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Kuhls pijlstormvogel

Kuhls pijlstormvogel | Calonectris borealis

Cory's Shearwater | Pardela cenicienta atlántica

Kuhls pijlstormvogel broedt op eilanden in het oosten van de Atlantische Oceaan, van de Azoren en Madeira tot de Canarische Eilanden en de Berlengas voor Portugal. Buiten de broedtijd zwerft de soort ver over de Atlantische Oceaan, in de noordelijke zomer onder meer tot voor de oostkust van Noord-Amerika. In het Caribisch gebied is het een zeldzame gast ver uit de kust; broeden doet ze er niet.

Kuhls pijlstormvogel (Calonectris borealis)
Foto: José Luís Ávila Silveira/Pedro Noronha e Costa — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee vrijwel stil. In de kolonies 's nachts luide, rauwe, huilende en kakelende roepen.

Luister: VluchtroepXC1180180

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

45–56 cm. Grote, zwaar gebouwde pijlstormvogel met lange, brede vleugels, die in een lichte boog en iets naar achteren gebogen worden gehouden. De vlucht is rustig, met trage, soepele slagen en lange glijvluchten in wijde bogen. Bovendelen grijsbruin met lichtere randen, kop en halszijden grijsbruin en zonder scherpe grens overgaand in de witte keel; er is geen kap. Onderdelen wit. Ondervleugel wit met een smalle donkere rand; de handpennen zijn aan de onderzijde grotendeels donker, met hooguit korte witte tongen. De snavel is krachtig en geel, met een donkere band voor de punt. Soms een smalle lichte band op de bovenstaartdekveren. De seksen zijn gelijk; mannetjes hebben gemiddeld een zwaardere snavel.

Verwarrings­soorten

Scopoli's pijlstormvogel Calonectris diomedea is gemiddeld kleiner en slanker gebouwd, met een fijnere snavel; aan de onderzijde loopt het wit als lange tongen ver de handpennen in, tot in de buitenste handpen. Zonder goede foto van de ondervleugel blijven veel vogels onbepaald. De grote pijlstormvogel Ardenna gravis heeft een scherp afgetekende donkere kap, een witte halsband, een witte hoefijzervormige band boven de staart, een donkere buikvlek, een donkere snavel en een stijvere vlucht met snellere slagen.

Leefgebied

Open zee, vaak boven de rand van het continentaal plat en boven diep water. Eet vis, inktvis en kreeftachtigen, vaak waar dolfijnen of roofvissen scholen naar het oppervlak drijven; volgt ook vissersschepen. Broedt in holen en rotsspleten op eilanden en kliffen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame gast op zee, vrijwel alleen ver uit de kust. Gedocumenteerde waarnemingen zijn schaars en verspreid; ze komen onder meer uit de wateren bij de Bahama's en de Kleine Antillen. Voor Dominica is het eerste gedocumenteerde geval een vogel in december 2002. De verspreidingskaart toont vooral aanwezigheid in de noordelijke zomer; het gaat om niet-broedende vogels. Oudere meldingen maken vaak geen onderscheid met Scopoli's pijlstormvogel. Buiten het gebied broedt de soort op de Azoren, Madeira, de Ilhas Selvagens, de Canarische Eilanden en de Berlengas. Na de broedtijd trekken de meeste vogels naar de zuidelijke Atlantische Oceaan; in de noordelijke zomer is ze regelmatig voor de oostkust van de Verenigde Staten.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een kans bestaat vrijwel alleen op pelagische tochten of bij zeetrektellingen vanaf uitstekende kapen, vooral in de late lente en zomer. Foto's van de uitgespreide ondervleugel zijn nodig om Scopoli's pijlstormvogel uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Op de broedeilanden spelen ingevoerde ratten en katten een rol, en jonge vogels raken bij het uitvliegen gedesoriënteerd door kunstlicht. Op zee sterven vogels als bijvangst in de visserij met beuglijnen. In het Caribisch gebied zonder vaste aanwezigheid.

Wetenschappelijke naam

Calonectris borealis | (Cory, 1881) (GBIF: Calonectris diomedea)

Cory beschreef de soort in 1881 als Puffinus borealis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calonectris werd in 1915 ingevoerd door Mathews & Iredale. Calonectris verbindt het Oudgriekse kalos 'goed, edel' met de geslachtsnaam Nectris, die de Duitse natuuronderzoeker Heinrich Kuhl in 1820 voor pijlstormvogels gebruikte. borealis is Latijn voor 'noordelijk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit voor de kust van Chatham in Massachusetts.