Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Middelste zaagbek

Middelste zaagbek | Mergus serrator

Red-breasted Merganser | Serreta mediana

De middelste zaagbek is een slanke viseter met een lange, dunne, rode snavel en een rafelige kuif. Hij broedt in het noorden van Noord-Amerika en Eurazië en overwintert vooral op zee langs de kust. In het Caribisch gebied is hij een wintergast, vrij algemeen op Cuba en schaarser naar het zuiden. Op Cuba heet hij pato serrucho.

Middelste zaagbek (Mergus serrator)
Foto: Channel City Camera Club from Santa Barbara, US — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil. Het vrouwtje geeft een schor, raspend krrr-krrr; het mannetje in de balts een zacht, katachtig jie-auw.

Luister: VluchtroepXC1167884

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

51–64 cm, lang en slank, met een dunne, rode snavel met fijne tandjes en een dubbele, rafelige kuif op de achterkop. Het mannetje heeft een donkergroene kop, een witte halsband, een roodbruin gestreepte borst met zwarte en witte vlekken op de zijkant, een zwarte rug en grijze flanken; het oog is rood. Het vrouwtje en jonge vogels zijn grijs met een roestbruine kop die geleidelijk overgaat in de lichte hals, zonder scherpe grens. In de wintermaanden zijn in het gebied vooral vrouwtjes en jonge vogels te zien. In de vlucht is de vogel langgerekt, met een witte vleugelvlek die door een of twee zwarte strepen wordt gedeeld.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de kokardezaagbek Lophodytes cucullatus is kleiner en bruiner, met een brede, waaiervormige kuif en een donkere snavel met een gele ondersnavel. De grote zaagbek Mergus merganser, waarvan uit het gebied voor zover bekend geen gevallen zijn, heeft bij het vrouwtje een scherpe grens tussen de roodbruine kop en de witte keel en hals. Futen en aalscholvers, die eveneens laag in het water liggen en duiken, hebben geen rode snavel en een ander silhouet.

Leefgebied

Beschutte baaien, ondiep kustwater, zeegrasvelden, zoute lagunes en kreken langs mangrove; minder vaak op zoet water. Duikt naar kleine vissen en kreeftachtigen, vaak in groepjes die samen jagen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Een vrij algemene wintergast en doortrekker op Cuba, en een wintergast in de Bahama's en op de Turks- en Caicoseilanden. Op Jamaica, Hispaniola en de Kaaimaneilanden schaarser; op Puerto Rico, waar de soort als toevallige gast geldt, de Maagdeneilanden en in de Kleine Antillen een zeldzame gast of dwaalgast. Buiten het gebied broedt de middelste zaagbek in Alaska, Canada, Groenland, IJsland, Noord-Europa en Noord-Azië, en overwintert hij langs de kusten van Noord-Amerika tot het noorden van Mexico, en van Europa en Oost-Azië.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best in de wintermaanden langs de kust van Cuba en de Bahama's, in beschutte baaien en lagunes, waar de vogels laag in het water liggen en vaak duiken. Een groepje dat samen jaagt, duikt vaak tegelijk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een wintergast.

Wetenschappelijke naam

Mergus serrator | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mergus voerde hij in datzelfde werk in. Mergus is het Latijnse woord voor een niet nader bepaalde watervogel die Plinius de Oudere en andere schrijvers noemen; men heeft er wel een aalscholver of een pijlstormvogel in gezien. serrator is Latijn voor 'zager', van serra 'zaag', naar de zaagtandjes langs de snavel waarmee de vogel glibberige vissen vasthoudt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.