Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Steenduif

Steenduif | Columbina talpacoti

Ruddy Ground Dove | Tortolita rojiza

De steenduif is een kleine grondduif van de warme laaglanden van tropisch Amerika, waarvan het mannetje warm kaneelrood is met een grijze kop. In het gebied komt hij alleen op Trinidad en Tobago voor, maar daar is het de gewone kleine duif van dorpen, steden, erven en weiden. Hij heeft zich op het vasteland met de ontbossing en de aanleg van weiden en akkers sterk uitgebreid en voelt zich op pleinen, in parken en op straat thuis.

Steenduif (Columbina talpacoti)
Foto: brian.gratwicke — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, tweelettergrepig koer-WOE, dat in een gelijkmatig tempo vele keren achtereen wordt herhaald. Daarnaast laat het mannetje een monotone reeks van korte, lage koertonen horen. Alles klinkt iets hoger en sneller dan bij de musduif. Hij roept vanaf een lage tak, een draad of een dakrand, het hele jaar door en het meest in de ochtend.

Luister: ZangXC1179013

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16,5–18 cm, klein en gedrongen, met een korte staart en een naar verhouding kleine kop. Het mannetje is warm kaneelrood tot roodbruin op rug, vleugels en onderdelen, met een lichte blauwgrijze kruin en nek; op de vleugeldekveren staan zwarte vlekjes en streepjes. Het vrouwtje is grijsbruin, veel valer en met minder contrast tussen kop en lichaam, maar met dezelfde zwarte vleugeltekening. De borst is bij beide seksen effen, zonder schubbing. De snavel is grijs tot donker, de poten zijn roze. In de vlucht lichten de handpennen roodbruin op en is de ondervleugel zwart; de staart is donker met roodbruine middelste pennen.

Verwarrings­soorten

De musduif Columbina passerina is iets kleiner, heeft een fijn geschubde kop, hals en borst en een rozerode of oranjerode snavelbasis; op Trinidad is hij schaars en op Tobago ontbreekt hij. De dwergduif Columbina minuta is kleiner en grauwer, met paarsachtige vleugelvlekken en een grotendeels roodbruine ondervleugel. Het vrouwtje van de blauwe grondduif Claravis pretiosa is groter, met kastanjebruine vleugelvlekken en een roodbruine stuit. De schubduif Columbina squammata is over het hele lichaam geschubd en heeft een lange staart met witte zijranden.

Leefgebied

Open en halfopen land: weiden, akkers en suikerrietvelden, braakland, erven, wegbermen, tuinen, parken en stadspleinen, en de open oevers van rivieren en plassen. Buiten de bebouwing zit hij in laag struweel en op open plekken; gesloten bos mijdt hij. Hij foerageert lopend op de grond, vaak in groepjes, op zaden van grassen en kruiden en op graankorrels. Het nest is een stevig maar dun bekleed komvormig bouwsel van takjes, laag tot halfhoog in een boom of struik, met twee witte eieren; er kunnen meerdere legsels per jaar volgen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad en Tobago, waar hij op beide eilanden algemeen is, van de steden tot het platteland. Elders in het gebied hooguit een zeldzame zwerver. Daarbuiten is het een standvogel van het noorden van Mexico door Midden-Amerika en in Zuid-Amerika tot in Peru, Paraguay, het zuiden van Brazilië en het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad en Tobago in vrijwel elk dorp, op elk erf en langs elke landweg; groepjes lopen vaak op straat en op grasvelden en vliegen pas kort voor een voetganger of auto op. Het kaneelrood van het mannetje is kenmerkend; bij vrouwtjes en jonge vogels zijn de effen borst, de grijze snavel en de zwarte ondervleugel in de vlucht de beste kenmerken om de musduif en de dwergduif uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Over vrijwel het hele areaal is de soort talrijk, en ze profiteert van ontbossing, veeteelt en verstedelijking. Ook op Trinidad en Tobago is ze een van de algemeenste vogels van het open land. Bedreigingen van betekenis zijn niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Columbina talpacoti | (Temminck, 1810)

Temminck beschreef de soort in 1810 als Columba Talpacoti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Columbina werd in 1825 ingevoerd door Spix. Columbina is Latijn voor 'duifje', een verkleinvorm van columba 'duif'. talpacoti komt van de Nahuatl-naam Tlapalcocotli, van tlapalli 'rood' en cocotli 'duif'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Amerika (niet nader bepaald).