Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Witbuikreiger

Witbuikreiger | Egretta tricolor

Tricolored Heron | Garceta tricolor

De witbuikreiger is een slanke, middelgrote reiger van ondiep kustwater en in het hele Caribisch gebied een vaste verschijning in mangrove, lagunes en zoutpannen. Het is de enige donkere reiger in het gebied met een witte buik. Hij jaagt meestal alleen en beweeglijker dan de meeste verwanten, met korte sprintjes, plotselinge wendingen en soms half gespreide vleugels.

Witbuikreiger (Egretta tricolor)
Foto: Bernard DUPONT — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie meestal stil. Opgeschrikt een schor, laag graa of aah; in de kolonie verschillende krassende en kreunende geluiden.

Luister: VluchtroepXC975464

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

56–76 cm, met een lange, dunne hals en een lange, fijne snavel. Kop, hals, rug en vleugels zijn leiblauw; over de voorkant van de hals loopt een witte streep, en buik, flanken en ondervleugeldekveren zijn wit, wat in de vlucht scherp afsteekt tegen de donkere slagpennen. In de broedtijd draagt de vogel lichte, roomkleurige pluimen op de rug en een korte witte kuif, kleuren snavelbasis en teugel blauw en worden de poten roze tot roodachtig. Buiten de broedtijd is de snavel geelachtig met een donkere punt en zijn de poten geelgroen. Jonge vogels hebben een roestbruine hals en roestbruine randen aan de vleugeldekveren, maar al wel de witte buik. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De kleine blauwe reiger Egretta caerulea is geheel donker, zonder witte buik of halsstreep, en heeft een grijsblauwe snavel met zwarte punt. De donkere vorm van de roodhalsreiger Egretta rufescens is groter en forser, met een rossige, ruige hals en in de broedtijd een roze snavel met zwarte punt; ook die mist de witte buik. De Amerikaanse blauwe reiger Ardea herodias is veel groter en heeft een zware, gele snavel.

Leefgebied

Vooral zoute en brakke kustwateren: ondiepe lagunes, zoutpannen, mangrove, getijdenslik en zeegrasvlakten; in mindere mate zoetwatermoerassen en vijvers dicht bij de kust. Eet bijna uitsluitend kleine vissen, daarnaast garnalen en andere kreeftachtigen, en staat daarvoor vaak tot de buik in het water. Broedt in gemengde reigerkolonies, meestal in mangrove of laag struweel op eilandjes.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden, en verder op de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Op de Kleine Antillen schaarser en onregelmatiger; op eilanden met veel ondiepe kust en zoutpannen, zoals Antigua en Grenada, vaker dan op de bergachtige eilanden met een steile kust. In de winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij. Buiten het gebied langs de kusten van het oosten en zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en Midden-Amerika tot in het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoutpannen en ondiepe lagunes langs de mangrove zijn kansrijk, het best bij rustig water. De soort valt op door het rennen en de plotselinge uitvallen, vaak terwijl andere reigers stilstaan. Bij een vliegende donkere reiger is de witte buik het snelste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk gaat leefgebied verloren door kustontwikkeling, het kappen van mangrove en het droogleggen van lagunes, en broedkolonies zijn gevoelig voor verstoring.

Wetenschappelijke naam

Egretta tricolor | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Ardea tricolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Egretta werd in 1817 ingevoerd door Forster. Egretta komt van het Provençaalse aigrette, de naam voor de kleine zilverreiger, een verkleinvorm van aigron 'reiger'. tricolor is Latijn voor 'driekleurig', naar het blauwgrijs, wit en roodbruin van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.