Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Witstaartkeerkringvogel

Witstaartkeerkringvogel | Phaethon lepturus

White-tailed Tropicbird | Rabijunco coliblanco

De witstaartkeerkringvogel is de kleinste keerkringvogel en de wijdst verspreide van het Caribisch gebied: hij broedt van de Bahama's tot de Kleine Antillen. Met zijn lange witte staartlinten en duikvlucht van grote hoogte op vis en inktvis is hij een kenmerkende vogel van rotskusten. De Caribische vogels behoren, net als die van Bermuda, tot de ondersoort catesbyi. Op Engelstalige eilanden heet hij longtail of boatswain bird.

Witstaartkeerkringvogel (Phaethon lepturus)
Foto: Noddicraft — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoge, krijsende roepen in baltsvluchten bij de broedplaats, zoals kieee-kieee-krrt-krrt-krrt. Op zee meestal stil.

Luister: VluchtroepXC760644

Opname: VIBERT Laëtitia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

71–80 cm inclusief de lange middelste staartpennen, die ongeveer de helft van de totale lengte uitmaken. Volwassen vogels zijn wit met een zwarte oogstreep, een brede zwarte diagonale baan over de binnenvleugel en zwarte bases van de buitenste handpennen. De rug is ongebandeerd. De snavel is geel tot oranje. Jonge vogels missen de staartlinten, hebben een fijn zwart gebandeerde rug, een groengele snavel en geen zwarte nekband.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelkeerkringvogel Phaethon aethereus is groter, met een rode snavel, een fijn gebandeerde rug en geen diagonale vleugelbaan; jonge vogels hebben een zwarte nekband en zwarte staartpunten. Sterns zoals de koningsstern Thalasseus maximus hebben een gevorkte staart zonder linten en een zwarte kap.

Leefgebied

Broedt in spleten en holen in kalkkliffen en rotskusten, op rotseilandjes en koraalcays, soms in holle bomen of onder stenen op kleine eilanden. Foerageert op open zee en boven diep kustwater, waar hij met stootduiken vis, vooral vliegende vis, en inktvis vangt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Broedvogel op de Bahama's, Cuba (plaatselijk, vooral op cays), de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico met Mona en Desecheo, de Maagdeneilanden en een groot deel van de Kleine Antillen; sinds kort ook enkele paren op Little Tobago. Rond de ABC-eilanden en Trinidad zeldzaam. Buiten het gebied in alle tropische oceanen, met in de Atlantische Oceaan onder meer Bermuda.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs vrijwel elke steile rotskust binnen het broedgebied kansrijk, bijvoorbeeld op de Bahama's en de kliffen van Puerto Rico en Cayman Brac. Bij de broedkliffen vliegen vogels vaak paarsgewijs heen en weer, met de staartlinten wapperend. Op afstand is de zwarte diagonale vleugelbaan het beste onderscheid met de roodsnavelkeerkringvogel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Op veel eilanden vormen ingevoerde ratten en katten, verstoring en het verlies van broedplaatsen door kustbebouwing een bedreiging voor de kolonies.

Wetenschappelijke naam

Phaethon lepturus | Daudin, 1802

Daudin beschreef de soort in 1802 als Phaëton lepturus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phaethon werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Phaethon gaat terug op het Griekse phaethon 'zon, de stralende'. lepturus komt van het Griekse leptos, 'dun, slank', en oura, 'staart' — naar de lange, smalle middelste staartpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mauritius.