Alle soorten › Nieuwewereldgieren
Nieuwewereldgieren | Cathartiformes
New World vultures | Buitres del Nuevo Mundo
De gieren en condors van Amerika vormen een eigen orde met één familie, de Cathartidae. Ze lijken sterk op de gieren van de Oude Wereld, maar die gelijkenis is het gevolg van dezelfde leefwijze en geen nauwe verwantschap; vroeger werden ze zelfs bij de ooievaars geplaatst, tegenwoordig worden ze naast de havikachtigen en andere dagroofvogels gezet. Het zijn aaseters met een kale kop, brede vleugels waarmee ze urenlang op thermiek en hellingwind zweven, en zwakke, platte voeten die niet geschikt zijn om prooi te grijpen. De neusgaten zijn doorgaand, zodat je er van opzij doorheen kunt kijken, en een echte stemkop ontbreekt, zodat ze alleen sissen en grommen. Ze bouwen geen nest en leggen een of twee eieren op de kale bodem van een holte of richel. In Mexico en Midden-Amerika horen vijf soorten tot deze orde, van de overal algemene zwarte gier en kalkoengier tot de koningsgier van het laaglandbos en de Californische condor, die in het noordwesten van Mexico opnieuw is uitgezet.
Families in deze orde
- Nieuwewereldgieren | Cathartidae5 soortenIn Mexico en Midden-Amerika komen vijf soorten in vier geslachten voor: de zwarte gier en de kalkoengier zijn vrijwel overal te zien, van steden en vuilnisbelten tot open land en kust, de kleine geelkopgier zweeft laag boven savannes en moerassen, de koningsgier leeft boven ongerept laaglandbos en de Californische condor is in de bergen van Baja California opnieuw uitgezet. De kop en vaak ook de hals zijn kaal, wat het schoonhouden bij het eten van kadavers vergemakkelijkt; bij de koningsgier is die huid fel oranje, rood en paars. De vleugels zijn lang en breed, en de vogels zweven urenlang zonder vleugelslag. Kalkoengieren en geelkopgieren vinden aas op de geur, een zintuig dat bij weinig andere vogels zo goed ontwikkeld is, en andere gieren volgen hen daarbij. De voeten zijn zwak en dienen niet om te grijpen, de neusgaten zijn doorgaand en een stemkop ontbreekt, zodat alleen sissen en grommen te horen is. Bij warmte bevuilen ze hun poten met uitwerpselen om af te koelen. Een nest wordt niet gebouwd: een of twee eieren liggen in een holle boom, een rotsspleet of op een richel, en de jongen worden gevoerd met uitgebraakt voedsel.