Alle soorten › Steltloperachtigen
Steltloperachtigen | Charadriiformes
Waders, gulls and terns | Limícolas, gaviotas y charranes
Uiterlijk hebben de leden van deze orde weinig gemeen: strandlopers en plevieren, jacana's, grielen, scholeksters, steltkluten, meeuwen, sterns, schaarbekken, jagers en alken. Ze worden bijeengehouden door skeletkenmerken, zoals de bouw van het verhemelte, en door moleculair onderzoek. Vrijwel alle soorten leven aan water of op open terrein en hebben boven de ogen grote zoutklieren waarmee ze overtollig zout kwijtraken en zout water kunnen drinken; het verenkleed is dicht en waterafstotend en de vleugels zijn bij de meeste lang en spits, zodat veel soorten tot de verste trekkers ter wereld behoren. Een groot deel van de steltlopers in Mexico en Midden-Amerika, zoals de Amerikaanse oeverloper en de willet, broedt in het hoge noorden en is van ongeveer augustus tot april aanwezig op slikken, lagunes, mangrovekusten, zoutpannen en rivieroevers, of trekt verder naar het zuiden; die maanden dragen ze een sober winterkleed. Hier broeden onder meer de noordelijke jacana, de Amerikaanse steltkluut, de lachmeeuw en de koningsstern, en op eilanden voor Baja California enkele alken. Het legsel telt hoogstens vier eieren, meestal in niets meer dan een kuiltje op de grond, en de jongen komen uit met open ogen en een donzen kleed.
Families in deze orde
- Grielen | Burhinidae1 soortGrote gele ogen en een korte, stevige snavel met een verdikte punt: het zijn vogels van de schemering en de nacht, die overdag roerloos op de grond blijven en door hun zandbruine, gestreepte kleed nauwelijks van de bodem zijn te onderscheiden. De poten zijn lang, met een opvallend verdikt gewricht halverwege waaraan de groep zijn naam dankt, en dragen drie korte, dikke tenen zonder achterteen. Ze leven op droog, stenig of zanderig open terrein, vaak ver van water, en pakken lopend kevers, wormen, hagedissen en muizen. Het nest is een kuiltje met twee eieren; bij het invallen van de avond klinkt een ver dragende, klagende roep.
- Kluten | Recurvirostridae2 soortenBuitengewoon lange poten en een dunne, buigzame snavel, recht of naar boven gebogen: waadvogels die tot aan de buik in ondiep, vaak zilt water lopen. Tussen de voortenen zit zwemvlies, zodat ze ook zwemmend kunnen foerageren; de ene bouw pikt prooien een voor een van het oppervlak, de andere maait met de half geopende snavel zijwaarts door het water en voelt wat er tussen de snavelhelften komt. Het verenkleed is bij alle soorten een scherp patroon van zwart en wit, dat tussen zomer en winter nauwelijks verandert. Ze broeden in losse kolonies op kale grond vlak bij het water, leggen drie tot vier eieren in een kuiltje en verjagen indringers luid roepend en in duikvluchten.
- Scholeksters | Haematopodidae2 soortenEen lange, zware, zijdelings afgeplatte snavel in oranjerood is het gereedschap van deze familie: hij wordt als een beitel tussen de kleppen van een schelpdier gedreven of als een hamer op de schelp gebruikt, en slijt in dat werk zo snel dat hij voortdurend aangroeit. Daarbij horen korte, stevige poten met drie tenen, een rode oogring en een verenkleed dat zwart-wit of geheel zwart is en bij beide geslachten gelijk. Anders dan bij vrijwel alle andere steltlopers zoeken de jongen hun eten niet zelf: het openen van schelpen vraagt zo veel oefening dat de ouders ze maandenlang blijven voeren. Het legsel bestaat uit twee of drie eieren in een kuiltje, en de vogels laten zich horen in luidruchtige, doordringende fluitconcerten, waarbij groepjes met ingetrokken hals en de snavel omlaag rondlopen.
- Plevieren | Charadriidae11 soortenGedrongen vogels met een grote kop, korte hals en een korte snavel die naar de punt toe verdikt is, bedoeld om prooi van het oppervlak te pikken en niet om in de bodem te steken. Ze foerageren met een kenmerkend patroon van rennen, stilstaan en pikken, ook in het donker, en sommige soorten trillen met één voet op de natte bodem om prooi naar boven te laten komen. Zwarte banden over borst en kop breken het silhouet op kale grond. Het legsel bestaat meestal uit drie of vier peervormige eieren in een kuiltje op kaal zand, grind of kortgegraasd grasland; bij gevaar lokken de ouders een indringer weg met een gespeelde vleugelbreuk. In Mexico en Midden-Amerika is een deel van de soorten standvogel, zoals de killdeer en de plevieren van zandstranden en zoutvlakten, maar de meeste zijn trekvogels uit het hoge noorden die hier overwinteren of doortrekken, met lange, spitse vleugels voor de vlucht vanaf de toendra. De Chileense kievit is een nieuwkomer die zich de laatste decennia vanuit Panama noordwaarts uitbreidt; hij draagt een scherpe spoor op de vleugelboeg en valt luidruchtig uit naar wie het nest nadert.
- Jacana's | Jacanidae2 soortenKleine familie van acht soorten in tropische zoetwatermoerassen wereldwijd. In Mexico en Midden-Amerika komt de noordelijke jacana (Jacana spinosa) voor, van Mexico tot West-Panama, en in Panama ook Jacana jacana. Hun bekendste kenmerk zijn de extreem lange tenen en nagels. Daardoor verdelen ze hun gewicht over een groot oppervlak en kunnen ze lopen over waterlelies, waterhyacint en ander drijvend groen. Beide soorten hebben een vlezig voorhoofdsschild, geel bij de noordelijke jacana en rood met lellen bij de andere, een scherpe spoor aan de vleugelboeg en geelgroene slagpennen die pas in de vlucht opvallen. De vlucht is kort en fladderend, met bungelende poten. Ze eten insecten, slakken en andere ongewervelden die ze van bladeren pikken of onder omgeslagen bladranden vandaan halen. De geslachtsrollen zijn omgedraaid. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje, verdedigt een territorium waarin meerdere mannetjes leven, en legt voor elk van hen een legsel. Het mannetje broedt de vier glanzende, zwart bekraste eieren op een drijvend nestje alleen uit en zorgt ook alleen voor de kuikens, die hij bij gevaar onder zijn vleugels neemt. De roepen zijn raspend, krakend en snaterend. De naaste verwanten zijn de goudsnippen.
- Strandlopers en snippen | Scolopacidae32 soortenDe snavel is niet alleen lang en gevoelig, maar ook beweeglijk: van de bovensnavel kan alleen de punt worden opgelicht, zodat de vogel een worm diep in de modder kan grijpen zonder zijn snavel over de hele lengte te openen. Lengte en kromming verschillen sterk per soort, waardoor vogels die naast elkaar op hetzelfde wad foerageren elk een andere diepte en een ander prooidier bereiken. Het verenkleed is grijsbruin en fijn getekend en verandert twee keer per jaar ingrijpend: een opvallend broedkleed en een onopvallend winterkleed. Vier peervormige eieren in een kuiltje, jongen die vanaf de eerste dag hun eigen kost zoeken, en buiten de broedtijd grote zwermen die gelijktijdig draaien boven de getijdenplaten.
- Jagers | Stercorariidae4 soortenMeeuwachtig van vorm, maar met een zwaardere borst, een sterk gehaakte snavel die uit afzonderlijke hoornplaten bestaat met een washuid over de basis, en scherpe, gekromde nagels aan de zwempoten; vrouwtjes zijn groter dan mannetjes. Het verenkleed is bruin of grijsbruin, bij verschillende soorten met een lichte en een donkere kleurvorm naast elkaar, en aan de basis van de handpennen zit een witte vlek die in de vlucht oplicht. Ze leven grotendeels van wat andere zeevogels vangen: in lange achtervolgingsvluchten dwingen ze meeuwen en sterns hun prooi los te laten, en daarnaast eten ze eieren, jongen en aas. Ze broeden op open toendra en heide, leggen twee eieren in een kuiltje en verdedigen dat met stootduiken; de rest van het jaar brengen ze op zee door.
- Alken | Alcidae5 soortenCompacte, kortnekkige zeevogels, donker van boven en wit van onder, met kleine, smalle vleugels waarmee ze zowel vliegen als onder water roeien. Die dubbele taak is een compromis: de vleugelbelasting is hoog, opstijgen kost moeite en de vlucht is snel en snorrend met onafgebroken vleugelslag, terwijl de ver naar achteren geplaatste poten hen op het land rechtop maar onhandig maken. Ze broeden in kolonies op rotsrichels, in holen en in spleten, en leggen daar één ei zonder nestmateriaal — bij de soorten op kale richels sterk peervormig. Na het broedseizoen ruien de meeste soorten alle slagpennen tegelijk en kunnen ze enkele weken niet vliegen.
- Meeuwen, sterns en schaarbekken | Laridae39 soortenDrie volledig door zwemvlies verbonden voortenen en een kleine, hoog geplaatste achterteen: deze vogels kunnen op het water rusten, en dankzij zoutklieren boven de ogen ook zeewater drinken. Binnen de familie staan twee bouwvormen naast elkaar: zwaardere vogels met een stevige, aan de punt licht gehaakte snavel, die vrijwel alles eten wat ze te pakken krijgen, en slankere vogels met een dunne, spitse snavel die ze biddend omlaag gericht houden om zich daarna in het water te laten vallen. Ze broeden vrijwel altijd in kolonies op de grond, met één tot drie gevlekte eieren; de donzige jongen blijven bij het nest en worden door beide ouders gevoerd, anders dan de zelf foeragerende jongen van de steltlopers. De meeste soorten ruien twee keer per jaar en hebben in de winter een andere koptekening; bij de grootste soorten duurt het twee tot vier jaar voordat het volwassen kleed compleet is.