Alle soorten › Flamingo's

Flamingo's | Phoenicopteriformes

Flamingos | Flamencos

Zeer langbenige, langhalzige waadvogels van ondiep zout, brak of sterk alkalisch water, met zwemvliezen tussen de voortenen die hen op slappe modder houden en waarmee ze zo nodig zwemmen. De snavel is halverwege scherp naar beneden geknikt en van binnen bezet met rijen hoornplaatjes; de vogel houdt hem ondersteboven in het water en zeeft er zijn voedsel mee, vooral pekelkreeftjes, muggenlarven, kleine weekdieren en algen. Alles aan hun leefwijze is op grote aantallen ingesteld: ze foerageren, baltsen en broeden in dichte kolonies, op modderkegels die ze zelf opwerpen. In Mexico en Midden-Amerika komt alleen de Amerikaanse flamingo voor, de felst gekleurde van alle soorten. Het zwaartepunt ligt aan de kust van het schiereiland Yucatán, waar de vogels in de zoutvlakten van Ría Lagartos broeden en in de lagunes rond Celestún en elders langs de kust foerageren; daarbuiten verschijnen ze slechts sporadisch. Het rood en roze in het verenkleed komt uit het voedsel en verbleekt zodra dat wegvalt.

Families in deze orde

  • Flamingo's | Phoenicopteridae1 soortDe tong werkt als een zuiger die het water een paar keer per seconde door de snavel pompt, langs de rijen hoornplaatjes die als zeef dienen; hoe fijner die plaatjes staan, hoe kleiner het voedsel dat wordt binnengehouden. Op dat verschil berust de scheiding tussen de twee geslachten: de dieprode, zwaar gebogen en van binnen zeer fijn geplaatte snavel van de kleine flamingo zeeft blauwwieren en kiezelwieren van vlak onder het wateroppervlak, waarbij de vogel de kop nauwelijks onderdompelt, terwijl de grovere snavel van de grote flamingo pekelkreeftjes, wormen en zaad uit de bodem haalt, die met stampende passen wordt losgetrapt. Het nest is een afgeknotte kegel van opgeharkte modder met altijd één krijtwit ei; beide ouders voeden het jong wekenlang met een rode klierafscheiding uit de krop, ook als het al lang met duizenden andere jongen in een crèche over de pan loopt. Dat jong heeft eerst een rechte snavel, die pas in de loop van maanden zijn knik krijgt. In de vlucht zijn hals en poten kaarsrecht uitgestrekt en steken de zwarte slagpennen scherp af tegen de roze dekveren; groepen trekken vaak in de nacht en in lange, schuine linies.