Alle soorten › Stormvogelachtigen

Stormvogelachtigen | Procellariiformes

Tubenoses | Petreles y pardelas

Buisneuzen: de neusgaten liggen in hoornbuizen op of naast de snavel, en de snavel zelf is uit een aantal aparte hoornplaten opgebouwd met een haak aan de punt. Ze hebben een voor vogels ongewoon goed reukvermogen en vinden voedsel over grote afstand op de geur; boven elk oog zit een zoutklier die het overtollige zeezout via de snavel afvoert. In de voormaag maken ze een olieachtig concentraat, dat dient als voedsel voor het jong en als afweer tegen indringers. Ze komen alleen aan land om te broeden, leggen één ei dat bij verlies niet wordt vervangen, en broeden pas na een reeks jaren voor het eerst.

Families in deze orde

  • Albatrossen | Diomedeidae2 soortenRuim twintig soorten in vier geslachten, met het zwaartepunt op de oceanen rond Antarctica en een paar soorten in de noordelijke Stille Oceaan. Alleen die laatste zijn in dit gebied te zien: de Laysanalbatros en de zwartvoetalbatros, beide van het geslacht Phoebastria en beide vooral ver voor de Pacifische kust van Mexico. De Laysanalbatros heeft zich in de laatste decennia als broedvogel gevestigd op Isla Guadalupe en enkele andere Mexicaanse eilanden in de Stille Oceaan; de zwartvoetalbatros is hier een schaarse gast op open zee. De vleugels zijn lang en smal, en een pees in het schoudergewricht houdt ze gestrekt zonder spierkracht, zodat albatrossen urenlang zonder vleugelslag over de golven zweven en op één foerageertocht duizenden kilometers afleggen. Ze hebben twee buisvormige neusgaten aan weerszijden van de snavel, ruiken uitstekend en scheiden overtollig zout af met klieren boven de ogen. Ze eten vooral inktvis, viseitjes, vis en aas van het wateroppervlak, vaak 's nachts. Paren blijven hun leven lang bij elkaar en begroeten elkaar met dansen vol snavelklepperen en roepen naar de hemel. Er komt één ei, op de grond in een kolonie, en de vogels kunnen meer dan zestig jaar oud worden. Verdrinking als bijvangst in de lijnvisserij is de grootste bedreiging.
  • Zuidelijke stormvogeltjes | Oceanitidae1 soortKleine zeevogels met een broedgebied op het zuidelijk halfrond. Ze hebben vergeleken met de noordelijke stormvogeltjes kortere, ronde vleugels en relatief lange poten die in de vlucht voorbij de staart reiken. Ze fladderen laag boven het water en lijken met hun poten over het oppervlak te lopen terwijl ze plankton en kleine visjes oppikken. Veel soorten steken na het broedseizoen de evenaar over en verblijven dan op de open zee van het noordelijk halfrond.
  • Noordelijke stormvogeltjes | Hydrobatidae9 soortenEven klein, maar met langere, smallere en scherper gepunte vleugels en korte poten die in de vlucht niet voorbij de staart komen; de vlucht is daardoor onregelmatig en vleermuisachtig, met slagen en glijstukken door elkaar. Ze pikken hun voedsel al hoverend of in het voorbijgaan van het oppervlak, in plaats van er langdurig op te trappelen. 's Nachts laten ze vanuit de nestholte en boven de kolonie snorrende en ratelende reeksen horen; de vogels zelf ruiken sterk muskusachtig, een geur die aan het nest blijft hangen.
  • Pijlstormvogels | Procellariidae13 soortenMiddelgrote tot grote zeevogels met een stevige haaksnavel en lange, smalle vleugels die in de glijvlucht stijf en recht worden gehouden: ze scheren laag over de golven en gebruiken het windverschil vlak boven het water om zonder vleugelslag vooruit te komen. Het voedsel wordt van het oppervlak gegrepen of onder water achterna gezwommen, waarbij verschillende soorten met halfgevouwen vleugels tot tientallen meters diep duiken. De poten staan ver naar achteren, zodat ze op het land schuifelen en zich met de borst afzetten; genesteld wordt in zelfgegraven holen of rotsspleten op eilanden. Het jong wordt volgestopt met olierijk voedsel tot het zwaarder is dan de ouders en daarna aan zichzelf overgelaten.