Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Donkergrijze wouw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Donkergrijze wouw | Ictinia plumbea

Plumbeous Kite | Milano plomizo

De donkergrijze wouw is een slanke, grijze wouw met lange, spitse vleugels, die een groot deel van de dag boven het bos zweeft en in de vlucht grote insecten vangt, zoals libellen, cicaden en kevers, die hij uit zijn klauwen opeet. In het gidsgebied is hij een zomergast die van februari of maart tot augustus of september in vochtig laaglandbos broedt en daarna naar Zuid-Amerika vertrekt.

Donkergrijze wouw (Ictinia plumbea)
Foto: Hugo Hulsberg — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij het nest een hoog, fluitend en dalend sie-sjuu of psie-uu.

Luister: ZangXC763713

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

33–38 cm. Volwassen vogels zijn leigrijs, met een lichtere grijze kop en donkerder rug en vleugels. In de vlucht valt het roestrode veld aan de basis van de handpennen op, vooral van onderen. De staart is zwart met twee of drie smalle witte banden, die alleen van onderen te zien zijn. Het oog is rood, de poten zijn oranjegeel. Zittend steken de vleugelpunten ver voorbij de staart uit. Jonge vogels zijn donkergrijs van boven met lichte veerranden, en wit met donkergrijze lengtestrepen van onderen.

Verwarrings­soorten

De Mississippiwouw Ictinia mississippiensis heeft geen roestrood in de vleugel en een effen zwarte staart zonder banden; volwassen vogels hebben een lichtgrijze kop en van boven een licht veld op de armvleugel. Beide soorten trekken in voorjaar en najaar samen door. De slakkenwouw Rostrhamus sociabilis heeft bredere vleugels, een witte staartbasis en een dunne, sterk gehaakte snavel, en leeft in moerassen.

Leefgebied

Vochtig laaglandbos en heuvelbos, bosranden, galerijbos en open land met verspreide hoge bomen, ook langs rivieren in droger bos. Broedt hoog in een boom en zit vaak op een kale tak boven het bladerdak. Jaagt in de vlucht boven het bos, alleen of in losse groepjes.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van Mexico, van het zuiden van Tamaulipas en San Luis Potosí door Veracruz, Oaxaca, Tabasco, Chiapas en het schiereiland Yucatán, en verder door Belize, Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica tot Panama. De vogels komen in februari en maart aan en vertrekken in augustus en september; in de trektijd trekken groepen langs de Golfkust en de Caribische kant van Midden-Amerika. Van oktober tot januari zijn er weinig vogels in het gidsgebied, de meeste in Panama. Buiten het gidsgebied in tropisch Zuid-Amerika tot het noorden van Argentinië; de vogels uit het gidsgebied overwinteren in Zuid-Amerika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van maart tot augustus zitten vogels in de ochtend op kale takken boven het bos en cirkelen ze later op de dag boven het bladerdak, zoals in Belize, in Petén en in de Caribische laaglanden van Costa Rica en Panama.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Gevoelig voor het kappen van bos, maar ook aanwezig in landschappen met verspreide hoge bomen.

Wetenschappelijke naam

Ictinia plumbea | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco plumbeus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ictinia werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Ictinia komt van het Griekse iktinos 'wouw'. plumbea is Latijn voor 'loodkleurig', naar het leigrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.