Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Grijskopduif

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Duiven, toerako's en verwanten Columbaves › Duiven en zandhoenders Columbimorphae

Grijskopduif | Leptotila plumbeiceps

Grey-headed Dove | Paloma cabeza gris

De grijskopduif is een grondduif van vochtig bos aan de Caribische kant van het gidsgebied, van het noordoosten van Mexico tot Panama. De blauwgrijze kruin en nek boven een bruine rug maken haar herkenbaar, als ze zich laat zien. De vogels van het eiland Coiba en de Pacifische kant van Panama werden vroeger als een aparte soort beschouwd.

Grijskopduif (Leptotila plumbeiceps)
Foto: Abby Darrah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een enkele lage, klaaglijke fluittoon, hoeoeoe, die iets aanzwelt en dan wegsterft, korter dan de roep van Cassins duif. Wordt met lange tussenpozen herhaald, meestal vanuit dichte begroeiing.

Luister: ZangXC344309

Opname: Hotel Tinamu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–27 cm. Een middelgrote grondduif met een vrij korte, afgeronde staart. Kruin en achterhals zijn blauwgrijs, scherp afgezet tegen de olijfbruine rug en vleugels; voorhoofd en gezicht zijn lichter grijs tot witachtig, de keel wit. De borst is roze-beige, de buik wit. Het oog is licht, de poten zijn rood. De staart is donker met smalle witte punten aan de buitenste veren, de ondervleugel roodbruin. De seksen zijn gelijk. Vogels van Coiba (L. p. battyi) en de Pacifische kant van Panama (L. p. malae) hebben een warmer, roodbruiner getinte rug en vleugels.

Verwarrings­soorten

De verreaux' duif Leptotila verreauxi heeft een bruingrijze kruin zonder scherpe overgang naar de rug en meer wit in de staart, en leeft vooral in droger, opener terrein. Cassins duif Leptotila cassinii heeft ook een grijze kop, maar daarnaast een grijze borst en een donkerdere rug. De rosse kwartelduif Geotrygon montana is roodbruin, met een lichte streep onder het oog en zonder witte staarthoeken.

Leefgebied

Het binnenste en de randen van vochtig laaglandbos en heuvelbos, galerijbos, hoog secundair bos en halfgroenblijvend bos, van zeeniveau tot ongeveer 1000 m. Leeft alleen of in paren op de bosbodem en zoekt daar lopend naar zaden, gevallen vruchten en kleine ongewervelden. Het nest is een platform van takjes in een struik of lage boom.

Verspreiding en trek

In Mexico aan de Golfkant van het zuiden van Tamaulipas en San Luis Potosí via Veracruz, het noorden van Oaxaca, Tabasco en Chiapas tot Campeche en Quintana Roo. Verder in Guatemala, Belize, Honduras, Nicaragua en het noordwesten van Costa Rica (L. p. plumbeiceps). In Panama aan de Caribische kant in het westen (L. p. notia), aan de Pacifische kant in Veraguas en Herrera en op Cébaco (L. p. malae), en op Coiba (L. p. battyi). Ontbreekt in El Salvador. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia, rond de Cauca-vallei.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De soort is schuw en loopt meestal pas weg als ze al dichtbij is. De kans is het grootst op rustige bospaden in grote bossen aan de Caribische kant, zoals in Los Tuxtlas en Calakmul in Mexico, in Tikal in Guatemala en in het zuiden van Belize. Op Coiba is ze minder schuw en vaak langs paden te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het noorden van het gidsgebied plaatselijk vrij algemeen, in Costa Rica en Panama schaarser en plaatselijker. Gevoelig voor het verdwijnen en versnipperen van laaglandbos.

Wetenschappelijke naam

Leptotila plumbeiceps | Sclater & Salvin, 1868

Sclater & Salvin beschreef de soort in 1868 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Leptotila werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Leptotila is Grieks, van leptos 'slank, smal' en ptilon 'veer', naar de plotseling versmalde buitenste handpen. plumbeiceps is Latijn, van plumbeus 'loodgrijs' en -ceps '-koppig', naar de blauwgrijze kruin en nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Choctún, Alta Verapaz, Guatemala.