Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Witbuikduif
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Duiven, toerako's en verwanten Columbaves › Duiven en zandhoenders Columbimorphae
Witbuikduif | Leptotila jamaicensis
Caribbean Dove | Paloma caribeña
De witbuikduif is een forse grondduif van het westelijke Caribisch gebied, nauw verwant aan de verreaux' duif. In het gidsgebied leeft hij alleen in het noorden van het schiereiland Yucatán, op de eilanden ervoor en op de Bay Islands van Honduras. Het lichte gezicht, de glanzende nek en de witte buik onderscheiden hem van de andere grondduiven.
Geluid
Een ritmische reeks van meestal vier lage, klagende tonen, met de nadruk op de laatste: hoe-hoe-hoe-hoeoe. Duidelijk anders dan de enkele holle fleston van de verreaux' duif. De roep wordt met tussenpozen herhaald, vaak vanuit dichte begroeiing en vooral vroeg in de ochtend.
Opname: Eric Antonio Martinez — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
29–33 cm, een zware duif met een vrij lange, afgeronde staart. Voorhoofd, gezicht en keel zijn wit, de achterkruin is grijs. Nek, mantel en halszijden zijn roze tot wijnrood met een groene of paarse glans; rug en vleugels zijn effen olijfbruin. De borst is lichtroze, de buik wit. Het oog is licht, omgeven door kale roodachtige tot paarse huid; de poten zijn rood. De staart is donker met brede witte hoeken, de ondervleugel roodbruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn valer en missen de glans.
Verwarringssoorten
De verreaux' duif Leptotila verreauxi is iets kleiner, met een minder wit gezicht en weinig glans op nek en mantel; beide soorten leven op het schiereiland Yucatán naast elkaar, de verreaux' duif vooral verder landinwaarts. De witvleugeltreurduif Zenaida asiatica heeft een brede witte streep langs de gevouwen vleugel en blauwe huid rond het oog. De Antilliaanse treurduif Zenaida aurita is kleiner en warmer bruin, met zwarte vlekken op de vleugel en een witte achterrand aan de armpennen.
Leefgebied
Droog en halfgroenblijvend kustbos, kuststruweel op zand en kalksteen, de randen van mangrove, en tuinen, hotelterreinen en erven met struiken; vooral dicht bij de kust en op eilanden, van zeeniveau tot enkele tientallen meters. Zoekt lopend op de grond naar zaden, gevallen vruchten en kleine ongewervelden. Het nest is een los platform van takjes in een struik of lage boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In Mexico in het noorden van het schiereiland Yucatán, in de staten Yucatán en Quintana Roo, met de eilanden Holbox, Mujeres en Cozumel, en op de Bay Islands van Honduras (L. j. gaumeri). Ook gemeld in Belize. Buiten het gidsgebied op Jamaica, de Kaaimaneilanden en het Colombiaanse eiland San Andrés; ingevoerd op New Providence (Bahama's).
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cozumel en Isla Mujeres en langs de kust van Quintana Roo, bijvoorbeeld rond Cancún, lopen de vogels vroeg in de ochtend over paden in kustbos en op de gazons van hotelterreinen. De vierdelige roep is het beste aanknopingspunt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het noorden van het schiereiland Yucatán en op Cozumel plaatselijk algemeen. Kustbos en kuststruweel langs de Mexicaanse Caribische kust verdwijnen door de bouw van hotels en woningen, maar de soort komt ook voor in tuinen en op hotelterreinen.
Wetenschappelijke naam
Leptotila jamaicensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Columba jamaicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leptotila werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Leptotila is Grieks, van leptos 'slank, smal' en ptilon 'veer', naar de plotseling versmalde buitenste handpen. jamaicensis is Latijn voor 'van Jamaica', het eiland waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.



