Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Zwartbuikfluiteend

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae

Zwartbuikfluiteend | Dendrocygna autumnalis

Black-bellied Whistling Duck | Pijije ala blanca

De zwartbuikfluiteend is de algemeenste fluiteend van het gidsgebied en een vertrouwde vogel van moerassen, rijstvelden en veeweiden in het laagland, van het noorden van Mexico tot Panama. Hij zit graag in bomen en op palen en hekken, en groepen vliegen in de schemering fluitend naar hun voedselplaatsen. In Mexico en een groot deel van Midden-Amerika heet hij pijije, naar zijn roep.

Zwartbuikfluiteend (Dendrocygna autumnalis)
Foto: Judy Gallagher — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, fluitend pie-tsjie-tsjie-nie van vier of vijf tonen, vaak in de vlucht en ook 's nachts. Groepen laten een aanhoudend gefluit horen.

Luister: VluchtroepXC1185515

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

47–56 cm, hoog op de poten en met een lange hals; zit vaak rechtop. Kruin, achterhals, borst en rug zijn warm kastanjebruin, het gezicht en de bovenhals grijs met een smalle witte oogring. Buik, flanken en staart zijn zwart. De snavel is helder roodroze, de poten zijn roze. In de vlucht valt een brede witte band over de bovenvleugel op, scherp afgetekend tegen de zwarte slagpennen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een grijze snavel, grijze poten en een vaalgrijze, donker gevlekte buik in plaats van een zwarte.

Verwarrings­soorten

De rosse fluiteend Dendrocygna bicolor is okerbruin met een donkere snavel en donkere poten, een rij roomwitte flankveren en geen wit in de vleugel; in de vlucht toont hij een witte U op de staartwortel. Jonge zwartbuikfluiteenden met hun grijze snavel lijken minder opvallend, maar tonen al de witte vleugelband. De muskuseend Cairina moschata, die ook in bomen zit, is veel zwaarder en zwart, met witte vleugeldekveren.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen, vijvers, meren en lagunes met begroeide oevers, overstroomde graslanden, rijstvelden, veeweiden met poelen, oeverbos en de randen van mangrove; ook waterzuiveringsvijvers en parkvijvers in steden. Vooral onder 1500 m. Foerageert vooral in de schemering en 's nachts op zaden, grassen en waterplanten, ook op akkers met mais en sorghum. Broedt in boomholten en nestkasten, soms op de grond in dichte begroeiing.

Verspreiding en trek

In het laagland langs beide kusten van het gidsgebied: aan de Pacifische kant van Sonora en Sinaloa zuidwaarts, aan de Golfkant van Tamaulipas en Nuevo León via Veracruz en Tabasco tot het schiereiland Yucatán, en verder door Belize, Guatemala, El Salvador, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama. Plaatselijk ook in de binnenlanden van de centrale Mexicaanse staten; ontbreekt op het hoogland en in Baja California. Buiten het gidsgebied van het zuiden van de Verenigde Staten tot het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Groepen rusten overdag op oevers, dijkjes en in dode bomen bij rijstvelden en moerassen, bijvoorbeeld in Palo Verde in Costa Rica en in de wetlands van Tabasco en Campeche. In de schemering trekken ze fluitend over, en de roep wijst vaak de weg naar een rustplaats.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied algemeen en op veel plaatsen toenemend, mede dankzij rijstvelden en kunstmatige wateren. De soort wordt bejaagd, en het droogleggen van wetlands treft ook deze eend, al past hij zich goed aan.

Wetenschappelijke naam

Dendrocygna autumnalis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas autumnalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocygna werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Dendrocygna komt van het Griekse dendron, 'boom', en het Latijnse cygnus, 'zwaan' — 'boomzwaan', omdat sommige fluiteenden in bomen rusten of broeden. autumnalis is Latijn voor 'herfstachtig', naar het oranje-, geel- en bruintinten van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Amerika (niet nader bepaald).