Alle soorten › Muisvogelachtigen

Muisvogelachtigen | Coliiformes

Mousebirds | Pájaros ratón

Kleine, langstaartige vogels die uitsluitend in Afrika bezuiden de Sahara voorkomen; buiten dit werelddeel is de orde alleen als fossiel bekend, uit het Paleogeen van Europa en Noord-Amerika, zodat het huidige areaal een rest is van een veel ruimere verspreiding. Het verenkleed is zacht en haarachtig doordat de baarden nauwelijks in elkaar haken, de kop draagt bij alle soorten een rechtopstaande kuif en de staart is stijf en veel langer dan de romp. Kenmerkend is de voet: alle vier de tenen kunnen naar voren worden gedraaid, terwijl de eerste en de vierde teen ook naar achteren te richten zijn, zodat de vogel zich in elke stand aan dunne takken vastklemt en zich daar hangend en zijdelings klauterend doorheen werkt. Het voedsel is bijna geheel plantaardig en moeilijk verteerbaar — vruchten, knoppen, bloemen, bladeren — en wordt in een ruime krop verzameld. De vogels leven in kleine, luidruchtige groepen die dicht opeen in een tros slapen en zich in de ochtend met gespreide poten en opgezette buikveren naar de zon keren. De orde telt een enkele familie.

Families in deze orde

  • Muisvogels | Coliidae1 soortDe zes soorten van deze familie — de enige familie van de orde — komen alleen in Afrika bezuiden de Sahara voor; nergens anders ter wereld leeft er een, en buiten dit werelddeel is de groep uitsluitend fossiel aangetroffen. Het zijn kleine vogels met een korte, gedrongen romp, een zware, korte en licht gebogen snavel en een stijve, spits toelopende staart die twee tot drie maal de romplengte haalt en bij het klimmen als steun tegen de tak wordt gedrukt. Het kleed is zacht en haarachtig, dof grijs of bruin en bij verschillende soorten fijn dwarsgegolfd; de kuif staat vrijwel altijd overeind en de kale huid rond oog en snavelbasis is bij een deel van de soorten fel rood of blauw. De poten zijn kort en krachtig en alle vier de tenen kunnen naar voren worden gezwaaid, zodat de vogel zich in willekeurige houding aan dunne twijgen vastklemt en zich daar hangend en zijdelings doorheen werkt. Ze leven in luidruchtige groepjes die elkaar in een zwakke, rechtlijnige vlucht volgen, eten vruchten, bloemen, knoppen en bladeren en slapen dicht opeen in een tros, waarbij de lichaamstemperatuur in koude nachten sterk kan zakken. Het nest is een losse, ondiepe schaal van twijgjes in een struik; de jongen verlaten het nest voor ze kunnen vliegen en klauteren dan al door de takken.