Alle soorten › Zangvogels › Baardmannetjes › Baardmannetje
Baardmannetje | Panurus biarmicus
Bearded Reedling | Bigotudo
Een oranjebruine, langstaartige rietvogel, de enige vertegenwoordiger van zijn eigen familie. In het gidsgebied is hij een zeldzame dwaalgast, die in sommige jaren na een invasie vanuit Europa en Turkije in grote rietvelden opduikt; een broedpopulatie is er niet bekend.
Geluid
De roep is het kenmerk: een helder, metalig, licht nasaal pjing of tsjing, vaak in korte series en van meerdere vogels tegelijk. Daarnaast een droog, ratelend tsjrrr. Een zang is er nauwelijks.
Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14–15,5 cm, waarvan bijna de helft staart. Klein lijf met een zeer lange, getrapte staart en warme okerbruine tot kaneelkleurige bovendelen. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop, een gele snavel, een geel oog en een brede, hangende zwarte snorstreep, en zwarte onderstaartdekveren. Het vrouwtje mist de grijze kop en de snor en is egaal okerbruin met bleke onderstaartdekveren. Jonge vogels hebben een zwarte rug en zwarte staartzijden. Vliegt zwak en fladderend, laag over het riet, met de staart als een sliert erachter.
Verwarringssoorten
In het riet nauwelijks te verwarren. De rietgors (Emberiza schoeniclus) deelt het habitat, maar is gestreept, heeft een kortere staart en een kegelsnavel. De Iraakse babbelaar (Argya altirostris) van de Mesopotamische moerassen is ook bruin en langstaartig, maar groter, grijsbruin en zonder snor. De buidelmees (Remiz pendulinus) heeft een zwart masker, een korte staart en een kastanjebruine rug.
Leefgebied
Uitgestrekt, oud riet met een laag afgestorven stengels langs zoet en brak water: moerassen, meeroevers, rietkragen van zoutmeren en waterzuiveringsvijvers. Eet in de zomer insecten en in de winter vooral rietzaad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied zeer zeldzaam. In Israël enkele invasies: een groep die in de winter van 1995–1996 in het natuurreservaat van de Hulavallei verbleef, en in november 2024 een groep in het Be'er Sheva-park en de oude zuiveringsvijvers van Be'er Sheva. In Syrië sinds 2006 herhaaldelijk gezien bij het zoutmeer van Jabbul bij Aleppo, ook in voorjaar en mei, zodat broeden daar niet uitgesloten is. In Marokko enkele oudere waarnemingen, onder meer bij Fès (1929) en aan de monding van de Oued Massa (1987 en 1991). Ook uit Koeweit gemeld. Het dichtstbijzijnde broedgebied ligt in Turkije; de donkere ondersoort kosswigi van het Amikmeer in Hatay, vlak bij de Syrische grens, is sinds 1962 niet meer gezien en verdwenen nadat het meer werd drooggelegd. Daarbuiten broedt hij van West-Europa tot Centraal-Azië en Noordoost-China.
Hoe en wanneer kijken
Een kans is er vooral in oktober–januari in grote rietvelden in het noorden van de Levant. Luister naar het metalige pjing: dat is meestal het enige wat een groepje verraadt voordat het laag over het riet wegschiet. Meld een waarneming bij de nationale zeldzaamhedencommissie.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in het gidsgebied een zeldzame dwaalgast zonder vaste populatie. Het verdwijnen van grote rietmoerassen, zoals de drooglegging van het Amikmeer en de Hula, heeft de kans op vestiging verkleind; de aantallen van invasies hangen af van broedsucces en strenge winters in Europa en Turkije.
Wetenschappelijke naam
Panurus biarmicus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Parus] biarmicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Panurus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Panurus is Grieks, van panu 'zeer, buitengewoon' en oura 'staart', naar de lange staart. biarmicus verwijst naar Biarmia, de gelatiniseerde naam van Bjarmaland bij de Witte Zee; de vogel broedt daar in werkelijkheid niet, de naam berust op een vergissing in de oorspronkelijke beschrijving. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holstein in Duitsland.
