Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bokje
Bokje | Lymnocryptes minimus
Jack Snipe | Agachadiza chica
De kleinste snip, een schuwe en zelden goed geziene bewoner van drassige moerasranden. Hij broedt in de taiga en overwintert in klein aantal verspreid over het hele gidsgebied, van de Marokkaanse moerassen tot de rietvelden van Irak en de waterzuiveringsvijvers van de Golfstaten.
Geluid
Vrijwel altijd stil; vliegt meestal geluidloos op, hooguit met een zwak, gesmoord gatch. De galopperende baltsroep hoort men alleen in de broedgebieden.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en gedrongen, met een relatief korte snavel, ongeveer anderhalf keer zo lang als de kop. De kop heeft geen middenstreep op de kruin, maar een gespleten lichte wenkbrauwstreep met een donkere kruin; de rug is donker met een paarse en groene glans en twee scherpe goudgele langsbanden. Borst en flanken gestreept, buik wit. Bij het foerageren veert het hele lichaam ritmisch op en neer. Vliegt pas op als men er bijna op staat, laag, recht en zonder zigzag, en valt al snel weer in.
Verwarringssoorten
De watersnip (Gallinago gallinago) is groter, met een veel langere snavel en een lichte middenstreep op de kruin; hij vliegt zigzaggend en roepend op. De stekelstaartsnip (Gallinago stenura) en de poelsnip (Gallinago media) zijn ook groter, langsnaveliger en hebben een kruinstreep. De grijze snippen van het geslacht Limnodromus zijn veel groter en foerageren in open water.
Leefgebied
Drassige moerasranden met lage begroeiing, slikkige oevers van sloten en vijvers, ondergelopen weilanden, rijstvelden en de randen van waterzuiveringsvijvers; ook in kleine plekjes moeras in oases. Verbergt zich in de vegetatie en vertrouwt op zijn schutkleur.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika een schaarse wintergast in de moerassen van Marokko (Merja Zerga, Loukkos, de Gharb), Noord-Algerije, Tunesië en de Nijldelta, en een doortrekker op oases tot diep in de Sahara. In Israël, Libanon, Syrië en Jordanië een schaarse wintergast en doortrekker in moerassen en visvijvers (Hula, Azraq). In Irak waarschijnlijk vrij gewoon in de Mesopotamische moerassen. Op het Arabisch schiereiland een schaarse tot zeldzame wintergast en doortrekker, vooral op bevloeide velden en waterzuiveringsvijvers in Koeweit, Bahrein, Qatar, Oost-Saoedi-Arabië, de Emiraten en Oman; in Jemen zeldzaam. Overal waarschijnlijk ondergeteld. Daarbuiten broedt hij in de taiga van Scandinavië tot Oost-Siberië en overwintert hij in West-Europa, Afrika ten zuiden van de Sahara en Zuid-Azië.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is langzaam langs een drassige oever met lage begroeiing te lopen: een bokje vliegt vlak voor de voeten op en valt na een korte, rechte vlucht weer in. Met een telescoop kan men soms een foeragerende vogel vinden aan de rand van een waterzuiveringsvijver, verraden door zijn verende beweging.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, al is de populatie moeilijk te schatten. In het gidsgebied bedreigd door het verdwijnen van moerassen en vochtige graslanden en plaatselijk door jacht op snippen.
Wetenschappelijke naam
Lymnocryptes minimus | (Brünnich, 1764)
Brünnich beschreef de soort in 1764 als Scolopax minima; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lymnocryptes werd in 1826 ingevoerd door Boie. Lymnocryptes is Grieks, van limnē 'moeras' en kruptos 'verborgen'. minimus is Latijn voor 'kleinste': het is de kleinste snip van Europa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Christiansø in Denemarken.

