Alle soorten › Futen › Futen › Dodaars

Dodaars | Tachybaptus ruficollis

Little Grebe | Zampullín común

De dodaars is de kleinste fuut van het gebied: een rond, staartloos ogend watervogeltje dat bij onraad wegduikt en verderop tussen de waterplanten weer bovenkomt. Zijn hinnikende triller is vaak het eerste en soms het enige teken dat hij er is.

Dodaars (Tachybaptus ruficollis)
Foto: opisska — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langgerekte, hinnikende triller die aanzwelt en weer wegzakt, bibibibibibi-i-i, vaak in duet. Daarnaast een kort, scherp bie-ip als contactroep. Ook 's winters en 's nachts te horen.

Luister: DuetXC1093939

Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en gedrongen, met een korte snavel, een bolle kop en een pluizig achterlijf dat het silhouet een kurkachtig uiterlijk geeft. In broedkleed donkerbruin met kastanjebruine wangen en voorhals, een opvallende geelgroene vlek bij de snavelbasis en een donker oog. In winterkleed veel lichter, beigebruin met een donkere kruin en rug en lichte flanken; de lichte snavelbasis blijft dan zichtbaar. Juvenielen tonen strepen op de wangen. In vlucht, die zelden te zien is, geen duidelijke witte vleugelvelden.

Verwarrings­soorten

Geoorde fuut (Podiceps nigricollis) is groter en slanker, met een opgewipte snavel, een rood oog, een steilere voorhoofd en in winterkleed een veel scherpere zwart-witte tekening. Kuifduiker (Podiceps auritus) is in het gebied een uiterste zeldzaamheid. Jonge waterhoentjes (Gallinula chloropus) zwemmen met knikkende kop en hebben een langere hals en staart.

Leefgebied

Kleine en middelgrote zoete wateren met een rand van riet, biezen of ondergedoken waterplanten: vijvers, visvijvers, irrigatiebassins, stuwmeren, rivierarmen, oases en moerassen. Profiteert sterk van kunstmatig water, zoals waterzuiveringsvijvers, dammen in wadi's en vijvers in parken en op golfbanen. 's Winters ook op grotere open wateren en beschutte brakke lagunes. Eet waterinsecten, larven, kleine visjes en kikkervisjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in de Maghreb van Marokko tot Tunesië, langs de Nijl en in de Nijldelta, in de Levant van Libanon en Syrië tot Israël en Jordanië, en in de moerassen van Irak (de eigen ondersoort iraquensis). Op het Arabisch Schiereiland plaatselijk standvogel in Saoedi-Arabië, Jemen, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten, sterk toegenomen met de komst van waterzuiveringsvijvers en dammen; schaars in de kleine Golfstaten. In de winter komen er vogels uit Europa en Turkije bij, vooral in het noorden van het gebied. Verder van Europa en Afrika tot in Zuid- en Oost-Azië en Nieuw-Guinea.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister bij elke rietrand naar de hinnikende triller en zoek daarna het water af op een klein donker bolletje. Waterzuiveringsvijvers en de vijvers van oases en kibboetsen zijn betrouwbare plekken, ook in het hart van Arabië. Een duikende vogel blijft lang onder water en komt vaak meters verderop onder de oeverplanten boven: blijf de rand van de begroeiing in de gaten houden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het gebied plaatselijk toegenomen dankzij kunstmatig water. Het droogleggen van moerassen, het verdwijnen van oeverbegroeiing en de verzilting en uitdroging van oases werken plaatselijk in de andere richting.

Wetenschappelijke naam

Tachybaptus ruficollis | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Colymbus ruficollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachybaptus werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Tachybaptus is Grieks, van takhus 'snel' en baptō 'onderdompelen, duiken'. ruficollis is Latijn, van rufus 'roodbruin' en collum 'hals', naar de roestrode keel en halszijden in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holland.