Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Finsch' tapuit
Finsch' tapuit | Oenanthe finschii
Finsch's Wheatear | Collalba de Finsch
Finsch' tapuit is een gedrongen, zwart-witte tapuit van stenige hellingen en droge heuvels, die van Anatolië en het Iraans Hoogland in de winter naar de Levant, Irak en Noord-Arabië trekt. In het gidsgebied is hij vooral een wintervogel: tussen november en maart is een zwart-witte tapuit met een witte rug op een kale helling in de Levant vrijwel altijd deze soort.
Geluid
De roep is een hard tsjak, vaak in reeksen, en een dun hwiet. De zang is een korte strofe van krassende noten die overgaan in een paar heldere, wat weemoedige fluittonen, van een steen of in een korte zangvlucht; in de winterkwartieren zingt hij soms al vanaf februari.
Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16,5 cm. Fors en wat topzwaar, met een grote kop, een dikke nek en korte vleugels. Het mannetje heeft een witte kruin, nek, mantel en rug die samen één lichte band van kop tot stuit vormen; gezicht, keel en halszijden zijn zwart en dat zwart sluit zonder onderbreking aan op de zwarte vleugels. Onderdelen en stuit zijn wit, de onderstaartdekveren ook. De staart is wit met zwarte middenveren en een brede zwarte eindband, die langs de buitenste pennen wat omhoog loopt. In vers winterkleed is het wit van de rug wat beige aangezet en zijn de zwarte delen licht gezoomd. Het vrouwtje is grijsbruin tot zandkleurig, met een lichte kruin, vaak een grijzige tot zwartachtige keel en wangvlek, en dezelfde brede eindband in de staart.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) heeft ook een witte kruin en een zwarte keel, maar een zwarte mantel en rug, een slankere bouw, langere vleugels en een smallere eindband; in de Levant trekt hij alleen in het voor- en najaar door en overwintert hij niet. De rouwtapuit (Oenanthe lugens) heeft eveneens een zwarte mantel en bovendien oranjebeige onderstaartdekveren. De monnikstapuit (Oenanthe monacha) heeft een zwarte rug, een langere staart zonder echte eindband en een langere snavel. Het mannetje van de westelijke blonde tapuit (Oenanthe hispanica) in de zwartkelige vorm heeft een zandkleurige rug en een veel wittere staart. Vrouwtjes lijken op vrouwtjes van de tapuit (Oenanthe oenanthe) en de bonte tapuit; let op de gedrongen bouw, de korte handpenprojectie en de brede eindband.
Leefgebied
Open, stenige hellingen en heuvels met lage, verspreide begroeiing, kalksteenplateaus, de randen van steenwoestijn en droge akkerranden, in de winter ook in laag heuvelland en langs wegbermen met stenen muurtjes. Broedt in gaten tussen stenen en in rotsspleten op droge berghellingen. Houdt in de winter een eigen territorium aan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Plaatselijk broedvogel in het bergland van Koerdistan in Noord-Irak en, schaars, in het noorden van Syrië. In de winter vrij algemeen in Syrië, Libanon, Noord- en Midden-Israël (vooral de randen van de Judese woestijn, de Golan en de noordelijke Negev) en Jordanië, en verder in Irak, Koeweit en het noorden en midden van Saoedi-Arabië. In de Sinaï en Noord-Egypte zeldzaam, verder zuidelijk in Arabië en in de Golfstaten een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij van Anatolië en de Kaukasus over het Iraans Hoogland tot Centraal-Azië, en overwintert ook op Cyprus en in het zuiden van Iran.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem in de winter op kale, stenige hellingen met muurtjes in Noord-Israël en het Jordaanse hoogland, bijvoorbeeld rond Arad en de westrand van de Judese woestijn. Hij zit opvallend op een steen of muurtje en verdedigt zijn wintergebied tegen andere tapuiten; een witte rug bij een zwart-witte tapuit in december of januari is hét kenmerk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In zijn winterkwartieren in de Levant redelijk algemeen; over de broedvogels in Irak en Syrië is weinig bekend, oorlog en onveiligheid maken tellingen er nauwelijks mogelijk.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe finschii | (Heuglin, 1869)
Heuglin beschreef de soort in 1869 als Saxicola Finschii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. finschii eert de Duitse natuuronderzoeker Otto Finsch (1839–1917). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Syrië.


