Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Gaai
Gaai | Garrulus glandarius
Eurasian Jay | Arrendajo euroasiático
Een kleurige, luidruchtige kraaiachtige van bos en park. In het gidsgebied komen opvallend afwijkende ondersoorten voor: in de Maghreb vormen met een zwarte kruin en roestbruine nek, in de Levant de bleke ondersoort met een geheel zwarte kap en witte wangen. In Israël is hij tegenwoordig een gewone stadsvogel.
Geluid
Een hard, raspend sjrèèk, vaak de eerste aanwijzing; daarnaast een miauwend pieeuw en knappe imitaties van roofvogels zoals buizerds. De zang is een zacht, gevarieerd gekwetter dat zelden opvalt.
Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
32–35 cm. Lichaam roze- tot grijsbruin, een helderwitte stuit die scherp afsteekt tegen de zwarte staart, zwarte vleugels met een wit vlak en blauw-zwart geblokte vleugeldekveren, en een zwarte baardstreep. De Noord-Afrikaanse vormen hebben een zwarte kruin, een witachtig gezicht en een roodbruine nek; in Tunesië en Oost-Algerije is de kop het bleekst en de nek het roestigst. De Levantijnse vorm heeft een glanzend zwarte kap tot over het voorhoofd, witte wangen en keel en een bleek grijzig lichaam. Vliegt wat onhandig en golvend met ronde vleugels, waarbij de witte stuit opvalt.
Verwarringssoorten
Nauwelijks te verwarren. Bij een vluchtige blik door het bos kan de hop (Upupa epops), met zwart-witte vleugels en golvende vlucht, op een gaai lijken, maar die heeft een lange gebogen snavel en een kuif. Wie de Europese gaai kent, moet de afwijkende kopkleuren in het gebied niet voor een andere soort aanzien.
Leefgebied
Eiken-, kurkeiken-, ceder- en dennenbos en dichte maquis, in de Atlas tot ongeveer 2000 m. In de Levant ook olijfgaarden, boomgaarden, stadsparken en tuinen, tot midden in Jeruzalem en Tel Aviv. Legt in de herfst voorraden eikels aan door ze te begraven; eet verder insecten, eieren en nestjongen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko in de bossen van de Rif, de Middenatlas en de Hoge Atlas en in kurkeikenbossen van de Atlantische laagvlakte. In Algerije in de bossen van de Tell, van Kabylië tot Constantine, en in Tunesië in de Kroumirie en de Mogods in het noordwesten. In de Levant in Israël (Galilea, de Karmel, de Judese heuvels en de steden van de kustvlakte), Samaria en Judea, Libanon, het westen van Syrië en het noordwestelijke hoogland van Jordanië; verder in de eikenbossen van Koerdistan in Noord-Irak. Daarbuiten van Europa en Turkije oostwaarts door Azië tot Japan en Zuidoost-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Levant is hij nergens zo makkelijk als in de parken van Jeruzalem en Tel Aviv. In Jordanië is het Dibbinbos bij Jerash een goede plek. In Marokko verraden de raspende roepen hem in de cederbossen rond Azrou en Ifrane.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Israël sinds de tweede helft van de twintigste eeuw sterk toegenomen en de steden in getrokken. In Noord-Afrika gebonden aan bos, dat door kap, overbeweiding en brand achteruitgaat.
Wetenschappelijke naam
Garrulus glandarius | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Corvus glandarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Garrulus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Garrulus is Latijn voor 'babbelend' of 'luidruchtig', naar het schetterende geluid van de vogel. glandarius is Latijn voor 'van de eikels', naar de eikels die de gaai verzamelt en begraaft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


