Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Geelgors

Geelgors | Emberiza citrinella

Yellowhammer | Escribano cerillo

De bekende gors van het Europese boerenland, met een zwavelgele kop en een roestbruine stuit. In het gidsgebied is hij een wintergast aan de zuidrand van zijn verspreiding: groepjes duiken van november tot maart op in de koele heuvels van de Levant, op de Golan en rond Jeruzalem.

Geelgors (Emberiza citrinella)
Foto: Eichler, Andreas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een ijle, metalige reeks gelijke tonen met een gerekte slottoon, zi-zi-zi-zi-zi-zi-zieeeh; in het gebied hoor je hem soms in februari en maart voor het vertrek. Roep: een scherp, kort tsjik en een klinkend tsjuu.

Luister: VluchtroepXC1185460

Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Grote, slanke en langstaartige gors met witte buitenste staartpennen en een warm roestbruine stuit. Het mannetje heeft een grotendeels gele kop met wat olijfbruine tekening, gele onderdelen met kastanjebruine strepen op borst en flanken en een roestbruin gestreepte mantel; in de winter is het geel gedempt door bruine veerranden. Het vrouwtje is doffer, met een meer gestreepte kop en minder geel, maar houdt altijd een gele waas op keel en buik en gele zomen langs de handpennen.

Verwarrings­soorten

De witkopgors (Emberiza leucocephalos) heeft dezelfde bouw en roestbruine stuit, maar mist het geel: het vrouwtje heeft een witte buik en witte handpenzomen; bastaarden tussen beide komen voor. De cirlgors (Emberiza cirlus) heeft een olijfgrijze stuit, en het mannetje een zwarte keel en oogstreep. De ortolaan (Emberiza hortulana) en de bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) hebben een lichte oogring, een roze snavel en een effen kop zonder geel op de buik; in de winter zijn die bovendien in Afrika.

Leefgebied

In de winter open cultuurland in koel heuvel- en bergland: stoppelvelden, braakliggende akkers, onkruidrijke randen van boomgaarden, wijngaarden en olijfgaarden, en kruidensteppe met struiken, vaak in gemengde groepen met vinken, grauwe gorzen en soms witkopgorzen. Broedt in Europa in kleinschalig boerenland met heggen en houtwallen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Israël en de Westelijke Jordaanoever: vrij regelmatige wintergast in kleine aantallen, vooral op de Golanhoogte (Bnei Rasan, de Bashanitrug, Har Bental), in Galilea en in de heuvels rond Jeruzalem en Gush Etsion. Libanon en Syrië: wintergast in het bergland. Irak: wintergast in het Koerdische noorden. Jordanië: zeldzame wintergast. In Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten een dwaalgast. In de Maghreb een zeldzame wintergast in het noorden van Marokko, Algerije (onder meer de hoogvlakte rond Bordj Bou Arréridj) en Tunesië. Daarbuiten broedt hij van de Britse Eilanden en Noord-Spanje door Europa tot ver in Siberië; noordelijke en oostelijke vogels trekken naar Zuid-Europa, Turkije, de Kaukasus, Iran en Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek van december tot februari op de Golan of in de heuvels rond Jeruzalem naar groepjes gorzen op stoppels en in boomgaarden; de roestbruine stuit valt op zodra ze opvliegen. Kijk elke groep goed door: tussen de geelgorzen kan een witkopgors zitten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in grote delen van Europa achteruitgegaan door intensivering van de landbouw. In het gidsgebied een wintergast aan de zuidrand van het winterareaal, met wisselende aantallen.

Wetenschappelijke naam

Emberiza citrinella | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza voerde hij in datzelfde werk in. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. citrinella is Italiaans voor een klein geel vogeltje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.