Alle soorten › Futen › Futen › Geoorde fuut

Geoorde fuut | Podiceps nigricollis

Eared Grebe | Zampullín cuellinegro

De geoorde fuut is een kleine, levendige fuut met een opgewipte snavel en een fel rood oog. 's Winters verzamelt hij zich in grote groepen op zoutmeren, lagunes en beschutte zeebaaien, waar hij de talrijkste fuut van het gebied is.

Geoorde fuut (Podiceps nigricollis)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

In de broedkolonie een zacht, stijgend fluitend poe-iet en een snel kwetterende triller. Buiten de broedtijd zelden te horen.

Luister: ZangXC1084603

Opname: Julien Piette — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein, met een steil voorhoofd, een hoge kruin boven het oog en een dunne, licht opgewipte zwarte snavel; het oog is helder rood. In broedkleed zwart op kop, hals en rug, met een waaier van goudgele veren achter het oog en roodbruine flanken. In winterkleed zwart en wit: een donkere kruin die tot onder het oog reikt, vuilwitte wangen die naar achteren omhoog lopen, en een grijzige voorhals. In vlucht een witte achterrand aan de binnenvleugel.

Verwarrings­soorten

Kuifduiker (Podiceps auritus), in het gebied een uiterste zeldzaamheid, heeft een rechte snavel met licht puntje, een platte kruin en in winterkleed een scherp afgegrensde zwarte kap boven helderwitte wangen. Dodaars (Tachybaptus ruficollis) is kleiner, bruiner en ronder, met een donker oog en een lichte vlek aan de snavelbasis.

Leefgebied

Broedt in kleine kolonies op ondiepe, voedselrijke zoete en licht brakke meren met veel oever- en waterplanten, vaak samen met meeuwen of sterns. 's Winters op zoutmeren, sebkha's, kustlagunes, waterzuiveringsvijvers, stuwmeren en beschutte zeebaaien, waar hij in groepen van honderden tot duizenden vogels kleine kreeftjes, insectenlarven en visjes vangt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt plaatselijk en wisselend in de Maghreb, vooral op de meren van de Midden-Atlas in Marokko en in Noordoost-Algerije en Tunesië, en onregelmatig in de Levant en Irak. 's Winters wijdverspreid: langs de Middellandse Zeekust, op de Egyptische meren van de Nijldelta, Bardawil en Fayoum, langs de Golf van Suez en de noordelijke Rode Zee tot Eilat en Aqaba, in Irak en Koeweit en langs de kusten van de Perzische Golf tot in Bahrein, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten; schaarser in het binnenland van Saoedi-Arabië en in Oman, zeldzaam in Jemen. Verder broedvogel van Europa tot Centraal-Azië en China, in het westen van Noord-Amerika en in oostelijk en zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in de winter, op zoutmeren en lagunes of vanaf een strand aan de Golf van Suez en bij Eilat: zoek naar groepen kleine zwart-witte futen die gelijktijdig wegduiken. In het voorjaar zijn broedende vogels in vol kleed te zien op de meren van de Midden-Atlas.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gebied wisselt het broedbestand sterk met de waterstand, en in droge jaren blijven veel meren leeg. De grote wintergroepen zijn kwetsbaar voor olievervuiling, verdrinking in visnetten en het droogvallen of verzilten van meren en lagunes.

Wetenschappelijke naam

Podiceps nigricollis | Brehm, 1831

Brehm beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Podiceps werd in 1787 ingevoerd door Latham. Podiceps is Latijn, van podex, genitief podicis, 'achterste', en pes 'voet', naar de poten die ver naar achteren aan het lichaam staan. nigricollis is Latijn, van niger 'zwart' en collum 'hals', naar de zwarte hals in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.