Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Gestreepte dwergooruil
Gestreepte dwergooruil | Otus brucei
Pallid Scops Owl | Autillo persa
De bleke dwergooruil van palmtuinen, wadi’s met bomen en rivieroevers in het oosten van het gidsgebied. Hij werd lang als zeldzaam beschouwd, maar in de Arava in Israël en Jordanië bleek hij na 2015 een broedvogel van honderden paren in dadelplantages; de schutkleur en het onopvallende geluid maken hem gemakkelijk te missen.
Geluid
De zang is een zacht, laag en hol woe-woe-woe, ritmisch herhaald in reeksen, als een ver koerende duif of de roep van een hop, en draagt niet ver. Daarnaast korte, schorre roepen.
Opname: Sławomir Karpicki — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Iets groter dan de dwergooruil en met een lange staart, effen zandgrijs tot bleek grijsbruin met weinig fijne tekening, maar met duidelijke, smalle zwarte schachtstrepen op kruin, borst en buik. Het gezicht is bleek en witachtig, omzoomd door een smalle donkere rand; de ogen zijn geel; de oorpluimen zijn kort. De tenen zijn tot aan de basis bevederd. Jonge vogels zijn fijn gebandeerd, niet gestreept.
Verwarringssoorten
De dwergooruil (Otus scops) is bruiner of grijzer met veel fijnere, schorsachtige vermiculatie, een rij duidelijke witte schoudervlekken en een fluitende zang; in de hand is de vleugelformule beslissend. De Arabische dwergooruil (Otus pamelae) is kleiner, kortvleugeliger en heeft een snorrende zang; beide komen ’s winters samen voor in Zuidwest-Saoedi-Arabië. De steenuil (Athene noctua) heeft geen oorpluimen en een plat hoofd.
Leefgebied
Droog, halfopen terrein met bomen: dadelpalmtuinen en oases, rivierbossen met populieren en tamarisken langs de Eufraat en de Tigris, acaciawadi’s, boomgaarden en dorpstuinen, ook bomen in steden. Nestelt in boomholtes, spechtengaten, oude kraaiennesten of gaten in muren en palmstammen. Jaagt op grote insecten, schorpioenen, kleine knaagdieren en vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Irak, vooral in de rivierbossen en palmtuinen van Mesopotamië, en in Oost-Syrië langs de Eufraat. In de Arava en de Jordaanvallei in Israël en Jordanië broedt een populatie van honderden paren in dadelplantages, vastgesteld na 2015. In Saoedi-Arabië is hij een zeer zeldzame broedvogel in het zuidwesten en een schaarse wintergast, onder meer regelmatig bij Yanboe aan de Rode Zee. Elders op het Arabisch schiereiland (Koeweit, Bahrein, Qatar, de Emiraten, Oman en Jemen) een schaarse doortrekker en wintergast; in Egypte een zeldzame wintergast en dwaalgast. Daarbuiten broedt hij van Turkije en Iran tot Centraal-Azië en Pakistan en overwintert in Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de dadelplantages van de Arava, rond de kibboetsen tussen Eilat en de Dode Zee, zingt hij in het voorjaar na het donker; luister naar het zachte, duifachtige gekoer. In Irak is hij te horen in palmtuinen langs de Eufraat en de Tigris. ’s Winters kan hij overal in Arabië weggedrukt in een dichte boom of palm zitten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Door de schutkleur, het zachte geluid en de dun bezette gebieden waarschijnlijk ondergewaardeerd. Bedreigd door het rooien van oude palmen en rivierbossen en door vergif in plantages; ook slachtoffer van illegale vangnetten.
Wetenschappelijke naam
Otus brucei | (Hume, 1872)
Hume beschreef de soort in 1872 als Ephialtes Brucei; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Otus werd in 1769 ingevoerd door Pennant. Otus is Latijn voor 'ooruil', ontleend aan het Griekse ōtos, bij ous 'oor'. brucei eert Henry James Bruce (1835–1909), een Amerikaans zendeling in India, die de vogel zelf verzamelde en aan de beschrijver bezorgde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rahuri in India.


