Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Grote rotsboomklever

Grote rotsboomklever | Sitta tephronota

Eastern Rock Nuthatch | Trepador rupestre oriental

De grote rotsboomklever is de oostelijke tegenhanger van de rotsklever en een van de grootste klevers ter wereld. In het gidsgebied komt hij alleen in het Koerdische bergland van Noord-Irak voor, aan de westrand van een verspreidingsgebied dat tot in Centraal-Azië reikt. Waar hij naast de rotsklever leeft, zijn beide soorten in grootte en tekening uit elkaar gegroeid: een schoolvoorbeeld van kenmerkverschuiving.

Grote rotsboomklever (Sitta tephronota)
Foto: Dûrzan cîrano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid, als bij de rotsklever, maar gemiddeld lager, voller en trager. De roep is een hard tsjok of kwit; de zang bestaat uit heldere fluittonen, vaak een vertragende of versnellende reeks tjuu-tjuu-tjuu, en een ratelend trillertje. Waar beide soorten samen voorkomen, zijn de zangen moeilijk uit elkaar te houden.

Luister: ZangXC912884

Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, duidelijk groter en zwaarder dan de rotsklever, met een langere, krachtigere snavel. Bovendelen bleek blauwgrijs, onderdelen wit met een warm roomkleurige tot lichtroestige buik en onderstaart. De zwarte oogstreep is breed en loopt ver door tot op de mantelzijde; het gezicht onder de streep is helderwit. De staart is effen grijs. De Iraakse vogels behoren tot de zware vorm dresseri, de grootste van de soort.

Verwarrings­soorten

De rotsklever (Sitta neumayer) is in Noord-Irak kleiner, met een kortere, fijnere snavel en een smallere oogstreep die op de halszijde ophoudt; let op de verhouding tussen kopgrootte en snavel en op de breedte van de streep achter het oog. De boomklever (Sitta europaea) is kleiner, donkerder blauwgrijs met roestbruine flanken en witte staartvlekken, en klimt tegen boomstammen. De rotskruiper (Tichodroma muraria) heeft rode vleugelvelden en een lange gebogen snavel.

Leefgebied

Rotsige berghellingen, kloven en rivierdalen met verspreide bomen en struiken, zoals eik, pistache en amandel, op 600–2000 m. Vaker dan de rotsklever bij bomen, en soms foeragerend op stammen. Het modderen nest, met een lange ingangspijp, zit in een rotsspleet, onder een overhang of in een holte in een steile wand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Noord-Irak, in de bergen van Koerdistan (Zagros- en Taurusuitlopers bij de grens met Turkije en Iran), waar de vorm dresseri broedt. Een voorkomen in het uiterste noordoosten van Syrië is niet uitgesloten maar niet bevestigd. Daarbuiten van Zuidoost- en Oost-Turkije en de Kaukasus door Iran en Afghanistan tot Centraal-Azië en Noordwest-Pakistan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Iraaks Koerdistan, bijvoorbeeld in de kloven rond Rawanduz en Amadiya, zitten rotsklevers van beide soorten op dezelfde hellingen: de luide roep brengt je erheen, en een goed zicht op de kop met de brede oogstreep en de zware snavel beslist.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in zijn ruime verspreidingsgebied vrij algemeen. In Irak weinig onderzocht door de lange periode van onrust in het noorden; er zijn geen aanwijzingen voor een sterke achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Sitta tephronota | Sharpe, 1872

Sharpe beschreef de soort in 1872 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sitta werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sitta is de Oudgriekse naam sittē voor de boomklever. tephronota is Grieks voor 'asgrijs van rug', van tephros 'asgrijs' en nōtos 'rug'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kokand in de Ferganavallei, Oezbekistan.