Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Kleine karekiet
Kleine karekiet | Acrocephalus scirpaceus
Eurasian Reed Warbler | Carricero común
De kleine karekiet is de gewone, effen bruine karekiet van de rietkragen, in het gidsgebied zowel broedvogel als talrijke doortrekker. Naast de Europese vorm komen hier de grijzere oostelijke vorm fuscus en de kleine, standvaste vorm avicenniae van de mangroven langs de Rode Zee voor, en in Marokko een standvogelpopulatie die op de Afrikaanse karekiet lijkt.
Geluid
De zang is een traag, laag, krassend en monotoon gekwetter van korte motieven die twee- tot viermaal worden herhaald: karre-karre-kiet-kiet, tsjerk-tsjerk, kerre-kiet, zonder versnelling of climax. De roep is een laag tsjerr en een hard tsjek.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12,5–14 cm. Bovendelen effen bruin met een warmere, roestbruine stuit; onderdelen vuilwit met okerbeige flanken. Het voorhoofd is vlak en de kop langgerekt, met een lange, dunne snavel; de wenkbrauwstreep is kort en vaag en de lichte oogring smal. De handpenprojectie is middellang. Poten grijsbruin. De oostelijke vorm fuscus (Irak, Arabië, Levant) is grijzer olijfbruin, met een minder warme stuit en bleker witte onderdelen. De mangrovevorm avicenniae is kleiner, met kortere vleugels, en bleek zandbruin boven.
Verwarringssoorten
De bosrietzanger (Acrocephalus palustris) is geler olijfbruin, met een steiler voorhoofd, een langere handpenprojectie met lichte punten en bleke poten; de zang beslist. De struikrietzanger (Acrocephalus dumetorum) is koel grijsbruin, met een korte handpenprojectie en een duidelijkere wenkbrauwstreep vóór het oog. De veldrietzanger (Acrocephalus agricola) heeft een korte snavel en een brede wenkbrauwstreep. De indische karekiet (Acrocephalus stentoreus) en de basrakarekiet (Acrocephalus griseldis) zijn veel groter, met een langere snavel en een luidere zang.
Leefgebied
Rietkragen in ondiep water: moerassen, meeroevers, rivieren, visvijvers, irrigatiekanalen, waterzuiveringen en rietvelden in oases. Langs de Rode Zee broedt de vorm avicenniae in de mangrove (Avicennia marina). Op de trek ook in struiken, tamarisken en tuinen ver van water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedvogel in Marokko, het noorden van Algerije en Tunesië, aan de Libische kust, in de Nijlvallei en -delta en de oases van Egypte, in Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak, en plaatselijk in Saoedi-Arabië (Riyad, de Oostelijke Provincie) en Koeweit, deels als vorm fuscus. De mangrovevorm avicenniae is standvogel langs de Rode Zee in Saoedi-Arabië, Jemen en het zuiden van Egypte. In Marokko overwinteren vogels deels ter plaatse. Talrijke doortrekker door het hele gebied, ook in de Golfstaten, Oman en Jemen. Daarbuiten van Europa tot Centraal-Azië; de trekvogels overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In april of mei in een rietkraag van de Nijldelta, de Hula of Merja Zerga, of in de mangroven bij Jizan of op de Farasan-eilanden voor de vorm avicenniae. In de herfst zijn de ringstations langs de Sinaï en in Eilat vol karekieten die vet aanmaken voor de woestijnoversteek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Plaatselijk bedreigd door het droogleggen van moerassen en het kappen van mangroven langs de Rode Zee, en door het verdwijnen van rietkragen langs de trekroute.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus scirpaceus | (Hermann, 1804)
Hermann beschreef de soort in 1804 als Turdus scirpaceus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. scirpaceus is Latijn voor 'van de biezen', bij scirpus 'bies'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Elzas.


