Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Kleine plevier

Kleine plevier | Thinornis dubius

Little Ringed Plover | Chorlitejo chico

De kleinste en slankste ringplevier van het gebied, herkenbaar aan zijn felgele oogring. Hij broedt op grindoevers, in wadi's met water en op kale, door mensen gemaakte plekken van Marokko tot Irak en plaatselijk in Arabië, en trekt in groten getale door het hele gidsgebied naar Afrika ten zuiden van de Sahara.

Kleine plevier (Thinornis dubius)
Foto: Frank Vassen from Brussels, Belgium — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, dalend pieu of tjoe, vaak in vlucht; in de baltsvlucht een raspend, herhaald krie-krie-krie of prie-prie-prie, terwijl de vogel met trage vleugelslagen rondvliegt.

Luister: VluchtroepXC1106059

Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en slank, met een vrij lange achterkant en een rond hoofd. Bovendelen zandbruin, onderdelen wit, met een smalle zwarte borstband, een zwart masker en een zwarte band over het voorhoofd, boven een smalle witte lijn die de bruine kruin afscheidt. Opvallend is de felgele oogring. De dunne snavel is zwart, soms met wat geel aan de basis van de ondersnavel; de poten zijn vleeskleurig tot dofgeel. Jonge vogels zijn bruiner, met een onderbroken bruine borstband, een vage gele oogring en een geelbruin gezicht zonder witte voorhoofdsband. In vlucht: geen witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) is groter en gedrongener, met een oranje snavelbasis, oranje poten, een smalle of geen oogring en een brede witte vleugelstreep. De strandplevier (Anarhynchus alexandrinus) is bleker, met alleen zwarte vlekken op de borstzijden en zwarte poten. Jonge kleine plevieren lijken op jonge bontbekplevieren, maar missen de vleugelstreep en de lichte wenkbrauw en hebben een smallere kop en snavel.

Leefgebied

Kale grind- en zandoevers van rivieren en wadi's met water, stuwmeren, grind- en zandgroeves, visvijvers, waterzuiveringen, irrigatieplassen en de randen van zoutpannen. Op trek ook bij oases en tijdelijke regenplassen in de woestijn. Minder dan andere plevieren op wadden aan zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Noord-Marokko en de Atlas (rivieren, Oued Massa, de Moulouya en stuwmeren), Noord-Algerije, Tunesië, plaatselijk in Noord-Libië en in de Nijlvallei en -delta. In het oosten in Israël, Libanon, Syrië, Jordanië en Irak, en in kleine aantallen in Koeweit, Oost-Saoedi-Arabië (onder meer bij Jubail) en de Emiraten. Op trek in het hele gebied, ook diep in de Sahara en het Arabische binnenland. In de winter in kleine aantallen in de Nijlvallei, Zuid-Arabië, Jemen en Oman. Daarbuiten broedt hij van Europa en Noordwest-Afrika tot Japan, met aparte populaties in India en Nieuw-Guinea; overwintert vooral in Afrika ten zuiden van de Sahara en in Zuid- en Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In maart en april zijn er veel bij de visvijvers van de Jordaanvallei en de Bet She'an-vallei en in Eilat; broedvogels zie je in mei–juni langs de Marokkaanse rivieren, zoals de Oued Massa en de Moulouya. Let in de baltstijd op de vlinderachtige baltsvlucht boven grindbanken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Hij profiteert van kale, door mensen gemaakte plekken zoals groeves, stuwmeren en waterzuiveringen, maar verliest natuurlijke grindoevers door rivierregulatie, waterwinning en verstoring.

Wetenschappelijke naam

Thinornis dubius | (Scopoli, 1786)

Scopoli beschreef de soort in 1786 als Charadrius dubius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thinornis werd in 1845 ingevoerd door Gray. Thinornis is Grieks, van this, thinos 'zandbank, strand' en ornis 'vogel'. dubius is Latijn voor 'twijfelachtig': men betwijfelde of de vogel meer was dan een variëteit van de bontbekplevier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Luzon in de Filipijnen.