Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kokmeeuw
Kokmeeuw | Chroicocephalus ridibundus
Black-Headed Gull | Gaviota reidora
De bekende kleine meeuw van Europa is in het gidsgebied vooral een wintergast, maar dan wel een van de talrijkste en meest verspreide: van de Marokkaanse havens tot de Nijl bij Aswan en de kusten van de Golf en Oman. Hij is de maatstaf waartegen de andere kleine meeuwen van het gebied worden afgezet.
Geluid
Een schor, krassend krièèh of kwarr, en een kort kek; in groepen een aanhoudend gekrijs, vooral bij ruzie om voedsel.
Opname: Grzegorz Lorek — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Kleine, lichte meeuw met een lichtgrijze mantel en een opvallende witte voorrand aan de buitenvleugel, afgezet met een smalle zwarte achterrand aan de handpennen; van onderen zijn de binnenste handpennen donker. In broedkleed (vanaf februari–maart al bij een deel van de wintervogels) een chocoladebruine kap die niet tot de achterhals reikt, met een smalle witte oogring. In winterkleed een witte kop met een donkere oorvlek en vaak twee vage streepjes over de kruin. Snavel en poten donkerrood, de snavel in de winter met een zwarte punt. Eerstejaars hebben een bruine vleugelband, een zwarte staarteindband en een oranjeachtige snavel met donkere punt.
Verwarringssoorten
De dunbekmeeuw (Chroicocephalus genei) heeft dezelfde vleugeltekening, maar een langere kop en snavel, een bleek oog en hooguit een vaag oorvlekje. De zwartkopmeeuw (Ichthyaetus melanocephalus) is forser met een zwaardere snavel en heeft als volwassene geheel witte vleugelpunten; in broedkleed een echt zwarte kap tot ver op de achterkop. De dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus) is veel kleiner met donkere ondervleugels en geen witte voorrand. De zeldzame Franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan) heeft een donkere mantel en een halve kap in winterkleed.
Leefgebied
Havens, stranden, lagunes, zoutpannen, rivieren en stuwmeren, maar ook akkers, vuilnisbelten, viskwekerijen en stadsparken; foerageert opportunistisch, zwemmend, lopend en vliegend. In het binnenland vooral langs de Nijl, de Eufraat en Tigris en bij grote stuwmeren en waterzuiveringen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Algemene wintergast langs de gehele Middellandse Zeekust van Marokko tot de Levant en langs de Atlantische kust van Marokko zuidwaarts tot de Westelijke Sahara. In Egypte in groten getale in de Nijldelta en langs de Nijl stroomopwaarts tot Luxor en het Nassermeer. In het oosten talrijk in Israël, Libanon, Syrië en Irak (ook landinwaarts op de moerassen en langs de rivieren) en in de Perzische Golf van Koeweit tot de Emiraten, en verder langs de kusten van Oman, de Saoedische en Jemenitische Rode Zeekust en de Golf van Aden. In de Arabische en Saharaanse binnenlanden schaars, bij oases, waterzuiveringen en irrigatiemeren. Broedt niet of hooguit incidenteel in het gebied. Daarbuiten broedt hij van IJsland en West-Europa tot Kamtsjatka en overwintert hij tot in West-Afrika, Oost-Afrika, India en Zuidoost-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Gemakkelijk te vinden in elke haven en lagune tussen november en maart. Gebruik groepen kokmeeuwen om zeldzamere soorten te zoeken: zowel de Franklins meeuw bij Luxor als die bij Merzouga dook tussen kokmeeuwen op. In de Golf en Oman is hij de vergelijkingssoort om dunbekmeeuwen te leren herkennen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, al is de soort in delen van Europa afgenomen. In het gidsgebied profiteert hij van havens, vuilstortplaatsen en viskwekerijen en wordt hij nauwelijks bedreigd; op sommige wetlands wordt hij met andere watervogels bejaagd.
Wetenschappelijke naam
Chroicocephalus ridibundus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Larus ridibundus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton. Chroicocephalus verbindt het Oudgriekse khroikos 'gekleurd' met -kephalos '-koppig'. ridibundus is Latijn voor 'lachend', naar de schetterende roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Europese zeeën.


