Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Lannervalk
Lannervalk | Falco biarmicus
Lanner Falcon | Halcón borní
De lannervalk is de grote valk van de woestijnrand: slank, langgestaart en bleek, en jagend in laag glijdende vlucht langs hellingen en over steppe in plaats van met een steile stootduik. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten is hij plaatselijk de gewoonste grote valk, al is hij in de Levant sterk achteruitgegaan.
Geluid
Bij de nestwand een schor, krassend krèh-krèh-krèh, trager en rauwer dan het ratelen van de slechtvalk. Tussen de partners een klagend wiek. Buiten de broedtijd zwijgzaam.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
43–50 cm, spanwijdte 95–105 cm. Ongeveer zo groot als een slechtvalk, maar slanker, met langere staart, smallere vleugelbasis en stompere vleugelpunt. Bovenzijde grijsbruin tot blauwgrijs met fijne bandering, onderzijde roomwit met kleine ronde of druppelvormige vlekjes op flanken en broek. De kop is het beste kenmerk: kruin en nek roestbruin, bij de bleke Noord-Afrikaanse vogels (erlangeri) eerder roomkleurig met fijne streepjes, met een smalle donkere oogstreep en een smalle baardstreep op een witte wang. In vlucht een lichte ondervleugel met donkere, gevlekte dekveren. Jonge vogels zijn bruiner, zwaar gestreept onder, met donkerder ondervleugeldekveren en blauwgrijze poten.
Verwarringssoorten
De slechtvalk (Falco peregrinus) is compacter, met kortere staart, donkere kop en brede baardstreep en gebandeerde onderdelen; de Barbarijse vorm heeft wel een rossige nek maar een donkere kruin en een snellere, stijvere vlucht. De sakervalk (Falco cherrug) is groter en zwaarder, bruiner van boven, met een lichtere kop, een vage baardstreep en grove vlekken op de broek; jonge lannervalken en jonge sakervalken zijn lastig te scheiden en vragen goede aandacht voor kopkleur, staartlengte en vliegbeeld. Ontsnapte valkeniersvogels en hybriden maken determinatie extra lastig, vooral in de Golfstaten.
Leefgebied
Open, droog land met rotsen: kloven, wadi's met steile wanden, rotsige heuvels en steenwoestijn, alfa-steppe en de rand van oases en akkerland. Broedt op een richel in een rotswand of in een oud nest van raaf of andere roofvogel, ook op hoogspanningsmasten en gebouwen. Jaagt vaak in paren op zandhoenders, duiven, kleine vogels, vleermuizen en grote insecten, en volgt trekvogels in oases.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko verspreid van de hoogvlakten en de Anti-Atlas tot de woestijnrand en West-Sahara; ook in Algerije, Tunesië en Libië, van de steppe tot diep in de Sahara. In Egypte de gewoonste grote valk, langs het Nijldal, in de Oostelijke en Westelijke Woestijn en in de Sinaï. In Israël een zeldzame broedvogel met ongeveer vijftien tot twintig paren in de Judese woestijn, de Negev en de Arava; vroeger broedde hij tot in Galilea. Verder in Jordanië, Syrië en West-Irak, en in Saoedi-Arabië van het noorden en de Hejaz tot de Asir, en in Jemen. In Oman, de Emiraten, Qatar, Bahrein en Koeweit schaars en deels ontsnapte valkeniersvogels. Daarbuiten door vrijwel heel Afrika, en in Italië, de Balkan en Turkije.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Marokko een goede kans in de steppe en de kloven rond Boumalne-Dadès en Merzouga, en op hoogspanningsmasten langs de wegen door de woestijn. In Egypte rond de Piramiden van Gizeh en in de woestijn langs het Nijldal. Let op een bleke, langgestaarte valk die laag over de grond scheert.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in het noorden van het areaal achteruitgegaan. In Israël als ernstig bedreigd beoordeeld, na verdwijning uit het noorden door vergiftiging in de jaren zestig en zeventig. Bedreigingen zijn het uithalen van nesten en het vangen voor de valkerij, vergiftiging door bestrijdingsmiddelen en lood, elektrocutie en verstoring bij de broedwand.
Wetenschappelijke naam
Falco biarmicus | Temminck, 1825
Temminck beschreef de soort in 1825 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is Laatlatijn voor 'valk', van falx, falcis 'sikkel', naar de sikkelvormige klauwen van de vogel. biarmicus is niet zeker verklaard; het is opgevat als 'gebaard', maar gaat waarschijnlijk terug op Bjarmaland, een streek in Noord-Rusland, in gelatiniseerde vorm. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaap de Goede Hoop.


