Alle soorten › Zandhoenderachtigen › Zandhoenders › Lichtensteins zandhoen
Lichtensteins zandhoen | Pterocles lichtensteinii
Lichtenstein's Sandgrouse | Ganga de Lichtenstein
Het kleinste en meest getekende zandhoen van het gidsgebied, een schemeringsvogel van de rotsige wadi's en de voet van woestijngebergten. Overdag zit hij verscholen onder een acacia of tussen stenen; pas na zonsondergang komen paartjes en groepjes met een zacht fluitend roepje naar het water. Wie hem wil zien, moet bij een bron of poel de schemering afwachten.
Geluid
In vlucht een fluitend, wat klaaglijk kwie-kwie-kwiewiet of tsjiep-wiet, vaak al in het donker bij aankomst op het water. Op de grond zachte, krassende contactroepjes. Niet nasaal zoals het kroonzandhoen.
Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en gedrongen, met een korte, ronde staart zonder spelden en een oranje snavel met een gele kale ring rond het oog. Het hele verenkleed is dicht en grof zwart-wit tot zwart-okergeel gebandeerd, als een fijn golfpatroon. Het mannetje heeft een witte voorhoofdsvlek met een zwarte band erachter en een zwarte streep erboven, en over de borst twee banden: een okergele en een kastanjebruine, gescheiden door een smalle zwarte lijn. Het vrouwtje mist de kop- en borsttekening en is overal gelijkmatig fijn gebandeerd. In vlucht donker en gebandeerd, met grijsachtige ondervleugel.
Verwarringssoorten
Het kroonzandhoen (Pterocles coronatus) is iets groter, met effen borst en buik bij het mannetje, een zwarte vlek alleen rond de snavelbasis, een grijze snavel en ochtendlijke drinktijden; het vrouwtje is fijner en minder contrastrijk gebandeerd. Het zwartbuikzandhoen (Pterocles orientalis) is veel groter, met een zwarte buik, en leeft op open steppe. Buiten het gebied lijkt de soort op het Afrikaanse dubbelbandzandhoen (Pterocles bicinctus).
Leefgebied
Rotsige wadi's met acacia's en struiken, de voet van kale bergen, stenige hellingen en droge rivierbeddingen in woestijn en halfwoestijn, en in Arabië ook acaciasavanne en doornstruweel aan de rand van het gebergte. Eet zaden van grassen, kruiden en acacia's. Drinkt na zonsondergang en vaak tot ver in de schemering, ook voor zonsopgang, bij bronnen, poelen in de wadi, drinkbakken en de rand van oases.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het oosten van het gidsgebied wijdverbreid: Egypte (de Oostelijke Woestijn langs de bergen aan de Rode Zee, Gebel Elba en de Sinaï), Israël (het Eilatgebergte, de Arava en de omgeving van de Dode Zee), Zuid-Jordanië (Wadi Rum, Aqaba en de wadi's langs de Dode Zee en de Arava), West- en Zuid-Saoedi-Arabië, Jemen, Oman (het Hajargebergte en Dhofar) en de VAE (de voet van het Hajargebergte). In de Sahara in de bergen van Zuid-Algerije (de Ahaggar en de Tassili n'Ajjer, ondersoort P. l. targius), in Zuidwest-Libië en zeer plaatselijk in het uiterste zuiden van Marokko en de Westelijke Sahara. Buiten het gebied in de Sahel en de Hoorn van Afrika, van Mauritanië tot Somalië en Kenia, en van Zuid-Iran tot Pakistan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in de Arava, het Eilatgebergte of bij Wadi Rum een half uur voor zonsondergang bij een bron of poel zitten, met de zon in de rug en niet te dichtbij. Kort na zonsondergang komen de eerste vogels fluitend binnen; met een zwakke lamp of warmtebeeldkijker kun je ze nog lang daarna volgen. In Oman zijn de drinkbakken in de wadi's van het Hajargebergte geschikt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Door zijn verborgen, schemerige levenswijze worden de aantallen vermoedelijk onderschat. Plaatselijke bedreigingen zijn verstoring van drinkplaatsen, jacht en overbegrazing van wadi's, en in Israël en Jordanië toenemend toerisme in de woestijn; over de populaties in de Sahara is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Pterocles lichtensteinii | Temminck, 1825
Temminck beschreef de soort in 1825 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pterocles werd in 1815 ingevoerd door Temminck. Pterocles is Grieks, van pteron 'vleugel' en -klēs 'befaamd, schitterend'. lichtensteinii eert de Duitse natuuronderzoeker Martin Lichtenstein (1780–1857), directeur van het Zoölogisch Museum in Berlijn. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.


