Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Monnikstapuit
Monnikstapuit | Oenanthe monacha
Hooded Wheatear | Collalba monje
De monnikstapuit is de grootste en langstaartigste tapuit van het gebied, een standvogel van kale rotswoestijn, kloven en wadi's van de Oostelijke Woestijn van Egypte tot Oman. Hij leeft schaars en verspreid, vaak op de heetste en meest begroeiingsloze plekken, en vangt veel insecten in de vlucht, als een vliegenvanger.
Geluid
Een weinig roepende soort. De roep is een zacht, droog tsjak of een fluitend vit. De zang is een gevarieerde, krassende strofe van fluitjes en imitaties van andere vogels, weinig luid en niet vaak te horen.
Opname: Khalifa Al Dhaheri — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
16–17,5 cm. Langgerekt, met een lange staart en een opvallend lange, slanke snavel. Het mannetje heeft een witte kruin en nek die als een kap tot op de mantel doorlopen, en een zwart gezicht, keel, borst, rug en vleugels; buik, stuit en onderstaartdekveren zijn wit. De staart is wit met zwarte middelste staartpennen en zonder of met een zeer smalle zwarte eindband. Het vrouwtje is egaal zandbruin met een lichte, oranjebruine stuit en staart, waarvan alleen de middelste pennen en een vage eindband donker zijn. In vlucht valt bij het vrouwtje de rossige staart op.
Verwarringssoorten
De rouwtapuit (Oenanthe lugens) is kleiner en korter van staart, met een witte kruin die niet tot op de mantel doorloopt, een zwarte, T-vormige staarttekening en warm bruingele onderstaartdekveren; de zwarte keel loopt niet tot op de borst. De witkruintapuit (Oenanthe leucopyga) is geheel zwart met alleen een witte kruin en een witte stuit en staart. De bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) heeft een donkere rug, maar is kleiner en heeft een zwarte eindband op de staart. Het vrouwtje lijkt met haar rossige staart op een vrouwtje roodstaarttapuit (Oenanthe chrysopygia), maar is groter, slanker, bleker en langsnaveliger.
Leefgebied
De kaalste rotswoestijn: steile kloven, rotswanden en puinhellingen, droge wadi's met weinig of geen begroeiing, vaak op heet laagland en tot zo'n 1.500 m. Nestelt in rotsspleten. Vangt insecten vaak in luchtige achtervolgingen vanaf een rotsblok.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het oosten van Egypte: de Oostelijke Woestijn en het Rode Zeegebergte, en in de Sinaï. Verder in Zuid-Israël (de bergen rond Eilat en de rand van de Dode Zee), in Zuid-Jordanië (onder meer Wadi Rum, Petra en de Dode Zee-rift) en verspreid over het rotsige binnenland van Saoedi-Arabië, Jemen en Oman. In de Emiraten broedt hij schaars in het Hajargebergte; hij broedde vroeger meer in de Emiraten en Oman. In Irak en Koeweit is hij zeldzaam of een dwaalgast. Daarbuiten komt de soort voor in de Rode Zeeheuvels van Soedan, in Zuid-Iran, Afghanistan en Pakistan.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Israël is hij een van de doelsoorten van de bergen rond Eilat, bijvoorbeeld in de kloof van Amram en de Shehoret-kloof, en van de Dode Zee-rift bij Ein Gedi; in Jordanië zoek je hem in Wadi Rum. Wees vroeg in de ochtend in het veld: in de middaghitte trekt hij zich in de schaduw van rotsen terug.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in het gidsgebied over het algemeen schaars en verspreid, met lage dichtheden. In het Hajargebergte van de Emiraten en Oman is hij achteruitgegaan; de oorzaken zijn onduidelijk, al spelen verstoring en droogte vermoedelijk een rol.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe monacha | (Temminck, 1825)
Temminck beschreef de soort in 1825 als Saxicola monacha; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. monacha gaat terug op het laat-Latijnse monachus 'monnik', naar de zwarte kap van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Luxor in Egypte.


