Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Ooievaar

Ooievaar | Ciconia ciconia

White Stork | Cigüeña blanca

De bekende witte ooievaar met rode snavel en poten, in de Maghreb een vertrouwde broedvogel op daken, minaretten en masten. In het oosten van het gebied is hij vooral een talrijke doortrekker: honderdduizenden vogels uit Oost-Europa trekken in voor- en najaar via de Levant, de Sinaï en het Suezkanaal naar en van Afrika.

Ooievaar (Ciconia ciconia)
Foto: Matthias Barby — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrijwel stom; het geluid is het luide, ratelende snavelklapperen bij het nest, waarbij de kop achterover in de nek wordt gelegd. Daarnaast hooguit gesis; de jongen piepen en miauwen.

Luister: ZangXC1103936

Opname: Petter Westberg — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en wit met zwarte slagpennen en grote dekveren, zodat de achterhelft van de vleugel zwart is; de lange, rechte snavel en de poten zijn rood. Rond het donkere oog een smalle zwarte naakte huid. Jonge vogels hebben een doffere, bruinrode snavel met donkere punt en wat bruinig zwart in de vleugel. De poten zijn vaak wit bespat van de uitwerpselen, waarmee de vogel zich koelt. Vliegt met gestrekte hals en ver uitstekende poten; zweeft veel en draait in grote groepen in thermiek omhoog.

Verwarrings­soorten

Op afstand of tegen het licht kan een zwevende groep op roze pelikanen (Pelecanus onocrotalus) lijken, maar die vliegen met ingetrokken hals en hebben een enorme snavel en korte poten. De Afrikaanse nimmerzat (Mycteria ibis) heeft een rood gezicht, een gele, iets gebogen snavel en een zwarte staart. De Abdims ooievaar (Ciconia abdimii) is grotendeels zwart. Zilverreigers vliegen met ingetrokken hals.

Leefgebied

Open, vochtig cultuurland, geïrrigeerde akkers, weiden, rivierdalen en moerasranden, ook vuilnisbelten en visvijvers. Nestelt in de Maghreb op daken, schoorstenen, minaretten, ruïnes, hoogspanningsmasten en bomen, vaak in losse kolonies in dorpen en steden. Op de trek rust hij in groepen op velden, visvijvers en vuilstortplaatsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Noord-Marokko en het Marokkaanse binnenland tot de Haouz bij Marrakech en het Souss-dal, in Noord-Algerije (talrijk in de Tell en op de Hoge Plateaus) en Noord-Tunesië, met elk enkele duizenden (Tunesië ruim 1000) paren; in Libië slechts plaatselijk en in klein aantal. In het oosten broedt hij in Noord-Irak en Noordoost-Syrië, en sporadisch in Israël. Op de trek trekt vrijwel de hele Oost-Europese populatie via Syrië, Libanon, Israël, Jordanië en de Sinaï naar Egypte en langs de Nijl naar Soedan; enkele honderden tot duizenden overwinteren in Israël, en kleinere aantallen in Saoedi-Arabië (vooral de Tihama en het zuidwesten), Jemen en verspreid op het Arabisch schiereiland. De westelijke vogels trekken via de Straat van Gibraltar naar de Sahel; een deel van de Marokkaanse populatie overwintert inmiddels in het land zelf. Daarbuiten broedt hij in grote delen van Europa en West-Azië en overwintert hij in Afrika ten zuiden van de Sahara; er is ook een kleine populatie in Zuid-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De voorjaarstrek door Eilat en de Arava (maart) en de najaarstrek door de Jordaanvallei, de Bet She'an-vallei en de Hulavallei (augustus–september) brengen groepen van duizenden vogels. In Marokko zijn de nesten op de muren van het El Badi-paleis in Marrakesh en in de Kasbah van de Oudaya in Rabat beroemd.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en na een sterke achteruitgang in de twintigste eeuw weer toegenomen, mede doordat vogels vuilstortplaatsen benutten en korter trekken. In het gidsgebied bedreigen elektrocutie aan hoogspanningsmasten, jacht langs de trekroutes, het verdwijnen van wetlands en vergiftiging de soort; de Noord-Afrikaanse broedpopulatie is de laatste decennia gegroeid.

Wetenschappelijke naam

Ciconia ciconia | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea Ciconia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ciconia werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ciconia is het Latijnse woord voor 'ooievaar'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.