Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Regenwulp
Regenwulp | Numenius phaeopus
Whimbrel | Zarapito trinador
Een middelgrote wulp met een gestreepte kop en een gebogen snavel, die in het gidsgebied vooral bekend is als doortrekker en wintergast van rotskusten, mangroven en getijdenvlakten. Aan de Rode Zee, de Arabische Zee en de Perzische Golf is hij jaarrond te zien; zijn kenmerkende triller verraadt hem al van ver.
Geluid
De bekende roep is een snelle, gelijktonige triller van zeven klanken, bibibibibibi, vaak in vlucht en bij opvliegen; daarnaast een kort kli. Op de pleisterplaatsen ook een borrelend roepje.
Opname: Mark James Pearson — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Bruin gevlekt, met een donkere kruin die door een lichte middenstreep in tweeën wordt gedeeld en een lichte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep. De snavel is ongeveer anderhalf keer zo lang als de kop en vooral aan de punt gebogen. Borst gestreept, flanken licht gebandeerd, buik wit. In vlucht een witte wig op rug en stuit; de dunne poten steken nauwelijks achter de staart uit. Geslachten gelijk; jonge vogels hebben lichter gestippelde dekveren.
Verwarringssoorten
De wulp (Numenius arquata) is groter, met een veel langere, gelijkmatig gebogen snavel en een vrijwel egale kop zonder kruinstrepen; zijn roep is een melancholisch koer-lie. De kleine regenwulp (Numenius minutus), een dwaalgast, is veel kleiner met een korte snavel en een bruine rug. Jonge wulpen met een korte snavel kunnen verwarring geven; let dan op de kop.
Leefgebied
Rotskusten, koraalriffen bij eb, mangroven, getijdenvlakten, stranden en kustlagunes; tijdens de trek ook langs de Nijl, aan zoutmeren en soms op graslanden en akkers in het binnenland. Foerageert vaak alleen of in losse groepjes, op krabben en andere ongewervelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika een gewone doortrekker langs de Atlantische kust van Marokko en West-Sahara, met overwinteraars tot in Dakhla, en een schaarsere doortrekker en wintergast langs de Middellandse Zee van Algerije tot Egypte. Langs de Rode Zee (Egypte, Saoedi-Arabië, Jemen) en de kusten van Oman, Socotra en de Emiraten talrijk in winter en tijdens de trek, met overzomerende vogels; in Koeweit, Bahrein en Qatar vooral doortrekker, deels overwinterend. In Israël en Jordanië een doortrekker langs de kust en bij Eilat en Aqaba. Westelijke vogels behoren tot de nominaatvorm; aan de Arabische kusten komt ook de oostelijke alboaxillaris voor. Daarbuiten broedt hij in de subarctische zone van IJsland tot Siberië en overwintert hij langs de kusten van Afrika, Zuid-Azië en Australazië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De mangroven en lagunes van Oman (Khawr Ruri, Barr al Hikman) en de stranden van de Emiraten bieden vrijwel jaarrond regenwulpen. In Egypte zijn ze aan de Rode Zeekust bij Hurghada en Marsa Alam algemeen op koraalplatforms bij eb. In het voorjaar trekken groepen in april en mei roepend over de Sinaï en de Atlantische kust van Marokko.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, al nemen sommige populaties af. In het gidsgebied bedreigd door kustontwikkeling, met name het verdwijnen van mangroven en wadden in de Golfstaten, en plaatselijk door verstoring en jacht.
Wetenschappelijke naam
Numenius phaeopus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Phaeopus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Numenius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Numenius is Grieks, van neos 'nieuw' en mēnē 'maan', naar de snavel die aan een wassende maan doet denken; noumēnios is bij Hesychius de naam van een vogel. phaeopus is de middeleeuws-Latijnse naam van deze vogel, uit het Grieks phaios 'donkergrijs' en pous 'voet'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

