Alle soorten › Duikers › Duikers › Roodkeelduiker

Roodkeelduiker | Gavia stellata

Red-Throated Loon | Colimbo chico

De kleinste en slankste duiker, die op de toendra broedt en in de winter langs de kusten van Noordwest-Europa verblijft. Slechts zelden zakt een vogel zo ver zuidelijk af dat hij in het gidsgebied belandt: vrijwel altijd een eenling in winterkleed in een baai of haven aan de Atlantische of Middellandse Zeekust.

Roodkeelduiker (Gavia stellata)
Foto: Peter Massas — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vrijwel zwijgend. In het broedgebied een ganzenachtig, snel gekakel, kak-kak-kak, in vlucht, en lange jammerende roepen.

Luister: VluchtroepXC1167759

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Slank, met een dunne, iets opgewipte snavel die vaak schuin omhoog wordt gehouden en een kleine kop. In winterkleed, het kleed dat je hier ziet, bleek: lichtgrijs boven met fijne witte stippels op de rug, veel wit in het gezicht dat ruim rond het oog doorloopt, en een lichtgrijze kruin en achterhals zonder scherpe grens. In zomerkleed een grijze kop, een donkerrode keelvlek en een effen bruingrijze rug. In vlucht een duiker met een dunne hals, een ietwat hangende kop en snelle, diepe vleugelslagen. Jonge vogels zijn vuiler grijs in gezicht en hals.

Verwarrings­soorten

De parelduiker (Gavia arctica) is groter, met een rechte, zwaardere snavel die horizontaal wordt gehouden, een donkerder rug zonder stippels, een scherpe grens tussen zwart en wit op de hals en een witte flankvlek aan de waterlijn. De ijsduiker (Gavia immer) is veel groter en zwaarder, met een forse dolksnavel en een hoekige kop. Een fuut (Podiceps cristatus) in winterkleed heeft een witte wenkbrauwstreep, een roze snavel en een langere, dunne hals.

Leefgebied

In de winter ondiepe kustwateren, baaien, havens en riviermondingen; soms een lagune of een groot meer vlak bij de kust. Jaagt duikend op kleine vis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: zeldzame wintergast, de meeste gevallen langs de noordelijke Atlantische kust (Tanger tot Larache) en in de Straat van Gibraltar, enkele aan de Middellandse Zeekust; geldt als dwaalgast die door het zeldzaamhedencomité beoordeeld wordt. Algerije en Tunesië: enkele gevallen aan de Middellandse Zeekust, in Tunesië een aanvaarde dwaalgast. Israël: een handvol gevallen, meest aan de Middellandse Zeekust. Uit Egypte zijn enkele oudere meldingen bekend; uit Arabië, Irak en de Levant geen zekere gevallen. Daarbuiten broedt hij rond de hele Noordpool, van Schotland en Scandinavië tot Siberië, Alaska en Groenland, en overwintert langs de kusten van Noordwest-Europa tot Portugal, in de Zwarte Zee en langs de Pacifische en Atlantische kusten van Noord-Amerika en Oost-Azië.

Hoe en wanneer kijken

Kijk in de winter vanaf de kapen en havenpieren van Tanger en Asilah en in de lagune van Moulay Bousselham. Let bij elke duiker op de houding van de snavel: schuin omhoog wijst op deze soort. Meld een waarneming met foto bij het nationale zeldzaamhedencomité.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een grote populatie, al nemen de aantallen in delen van het areaal af. Gevoelig voor olievervuiling, bijvangst in staande netten en verstoring door scheepvaart en windparken op zee in de overwinteringsgebieden. In het gidsgebied speelt hij als dwaalgast geen rol van betekenis.

Wetenschappelijke naam

Gavia stellata | (Pontoppidan, 1763)

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Colymbus Stellatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gavia werd in 1788 ingevoerd door Forster. Gavia is het Latijnse woord voor een niet nader bepaalde zeevogel. stellata is Latijn voor 'met sterren bezet', naar de fijne witte spikkels op de rug in winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de rivier de Tame in Engeland.