Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Rüppells boszanger

Rüppells boszanger | Phylloscopus umbrovirens

Brown Woodland Warbler | Mosquitero oscuro

De Rüppells boszanger is een Afrikaanse boszanger die in het gidsgebied alleen voorkomt in de hooglanden van Zuidwest-Arabië, met de eigen vorm yemenensis. Daar is hij een algemene standvogel van jeneverbesbos en begroeide berghellingen, en de enige boszanger die er het hele jaar zingt.

Rüppells boszanger (Phylloscopus umbrovirens)
Foto: Lip Kee Yap — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, zoete, wat dalende strofe van heldere fluittonen en trillers, ongeveer tsie-tsie-tsjuu-tsjuu-tsjuu, vaak herhaald en het hele jaar te horen. De roep is een hard tsjik of een zacht twiet.

Luister: ZangXC1163922

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Een boszanger met een warmbruine in plaats van groene toon: bovendelen olijfbruin tot aardbruin, onderdelen vuilwit met een warmbeige tot okerkleurige waas op borst en flanken. De vleugel- en staartveren hebben opvallend helder olijfgroene randen, die een groenige vleugel geven die contrasteert met de bruine rug. Lichte, beige wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep; geen vleugelstreep. Snavel donker met een lichtere ondersnavelbasis, poten bruin. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De tjiftjaf (Phylloscopus collybita), in de winter ook in de Arabische bergen, is olijfgroener boven, met een witter onderlichaam, donkere poten en een korte wenkbrauwstreep, en wipt meer met de staart. De fitis (Phylloscopus trochilus), een doortrekker, is groener en geler en heeft een langere vleugel. De bergtjiftjaf (Phylloscopus sindianus) komt hier niet voor.

Leefgebied

Jeneverbesbos, acaciabos en dicht struweel op berghellingen en in begroeide wadi's, meestal tussen 1500 en 3000 m, ook in tuinen en terrassen met bomen. Zoekt insecten in de bladeren en het struikgewas, vaak laag.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Standvogel in de bergen van Zuidwest-Saoedi-Arabië (Asir en Hejaz, van Taif zuidwaarts via Al Baha en Abha tot de grens met Jemen) en in de westelijke hooglanden van Jemen. Niet bekend uit Oman. Daarbuiten komt de soort voor in de bergen van Oost-Afrika, van Eritrea en Ethiopië via Somalië, Zuid-Soedan, Oeganda en Kenia tot Oost-Congo en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het jeneverbesbos rond Abha, Al Soudah of Taif hoor je zijn zoete zang vrijwel het hele jaar; let op een bruine boszanger met groene vleugelranden, laag in de struiken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Arabië lokaal gevoelig voor het afsterven van jeneverbesbos door droogte, kap en overbegrazing.

Wetenschappelijke naam

Phylloscopus umbrovirens | (Rüppell, 1840)

Rüppell beschreef de soort in 1840 als Sylvia (Ficedula) umbrovirens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. umbrovirens is Latijn voor 'dofgroen', van umbra 'schaduw' en virens 'groen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Simien in Ethiopië.