Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Strandplevier

Strandplevier | Anarhynchus alexandrinus

Kentish Plover | Chorlitejo patinegro

Een kleine, bleke plevier die op kale zandvlakten liever wegrent dan opvliegt. In het gidsgebied is hij de gewoonste broedende plevier van de kust: hij zit op vrijwel elk strand, elke zoutpan en elke sebkha van de Atlantische kust van Marokko tot de Perzische Golf, en broedt ook ver landinwaarts op chotts en zoutvlakten.

Strandplevier (Anarhynchus alexandrinus)
Foto: Zeynel Cebeci — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, kort pit of prrit en een wat vragend toewit, veel minder helder dan de fluit van de bontbekplevier. In de balts geeft het mannetje een ratelend, snorrend tjirr-tjirr-tjirr, vaak in een vlinderende vlucht laag boven het broedterrein.

Luister: RoepXC1149870

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein, zandbruin en wit, met een relatief grote kop, een fijne geheel zwarte snavel en donkergrijze tot zwartige, vrij lange poten. De borstband is altijd onderbroken: twee losse donkere vlekken naast de borst, nooit een gesloten ring. Het mannetje heeft in de broedtijd een warm roestbruine kruin, een zwarte voorhoofdsstreep en een zwarte oogstreep; het vrouwtje en vogels in winterkleed zijn dof zandbruin getekend, met bruine borstvlekken. In vlucht een duidelijke witte vleugelstreep en witte staartzijden. Loopt in korte, snelle sprintjes en staat dan stil.

Verwarrings­soorten

De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) en de kleine plevier (Thinornis dubius) hebben een gesloten zwarte borstband; de bontbekplevier bovendien oranje poten en een oranje snavelbasis, de kleine plevier een gele oogring en geen vleugelstreep. De mongoolse plevier (Anarhynchus mongolus) en de woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) zijn in winterkleed ook bleek met borstvlekken, maar groter, met een zwaardere snavel en een bredere, vaak doorlopende grijsbruine borstband; de woestijnplevier heeft bovendien lange, lichte poten. Een jonge strandplevier kan op een drieteenstrandloper (Calidris alba) lijken, maar heeft de typische plevierkop met korte snavel en grote ogen.

Leefgebied

Kale, vlakke zand- en slibvlakten met nauwelijks begroeiing: stranden boven de vloedlijn, schelpenbanken, kustsebkha's, de dijkjes van zoutpannen, droogvallende oevers van lagunes en de randen van zoutmeren en chotts in het binnenland. Ook op opgespoten land, langs viskwekerijen en op de kale randen van waterzuiveringen in de Golfstaten. Buiten de broedtijd op slikken en in lagunes, vaak in losse groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt langs vrijwel de hele kust van het gidsgebied: de Atlantische kust van Marokko en de West-Sahara tot Dakhla, de Middellandse Zeekust van Marokko tot Israël en Libanon, de Nijldelta en de Egyptische meren, de beide kusten van de Rode Zee (Sinaï, Egypte, Saoedi-Arabië, Jemen), de kusten van Oman en Socotra, en de hele Perzische Golf van de Emiraten, Qatar en Bahrein tot Koeweit en Zuid-Irak. Landinwaarts broedt hij op de chotts en sebkha's van Algerije en Tunesië, op zoutvlakten in Libië en de Egyptische oases, rond de Dode Zee en in Syrië en Irak. In de winter talrijker, vooral in de Golf, op de Egyptische meren, in de Tunesische zoutpannen en langs de Atlantische kust van Marokko. Daarbuiten broedt hij van West-Europa en Noordwest-Afrika tot Centraal-Azië en China, en overwintert hij tot in de Sahel, Oost-Afrika en Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het makkelijkst te zien op de zoutpannen van Eilat, de Tunesische zoutpannen van Sfax en de lagunes van Khor Kalba en Ras al-Khor in de Emiraten, waar hij van dichtbij foerageert. Zet in het voorjaar de telescoop op een kaal zandvlak bij een lagune en wacht: de vogels vallen pas op als ze gaan rennen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de wereldpopulatie neemt af. In het gidsgebied lijdt hij onder kustontwikkeling en toeristische stranden, het opvullen van sebkha's en lagunes, verstoring door voertuigen en predatie door honden, katten en kraaien. Zoutpannen en beschermde lagunes zijn belangrijke broedplaatsen; in de Golf broedt hij ook op opgespoten terrein dat weer verdwijnt zodra er gebouwd wordt.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus alexandrinus | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Charadrius alexandrinus)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius alexandrinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. alexandrinus is Latijn voor 'van Alexandrië', de Egyptische havenstad waar het eerst beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.