Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Vale lijster
Vale lijster | Turdus obscurus
Eyebrowed Thrush | Zorzal cejudo
De vale lijster is de kleinste van de Siberische lijsters: leigrijze kop, olijfbruine rug, een fel witte wenkbrauwstreep en effen oranje flanken. Hij broedt in de taiga van Midden- en Oost-Siberië en overwintert in Zuidoost-Azië. In het gidsgebied is hij een grote zeldzaamheid, met enkele herfstgevallen in de Levant en meldingen uit de Golf.
Geluid
Op trek een dun, wat nasaal, licht dalend tsjiep of dzieh, zachter en korter dan de nachtroep van de koperwiek. Bij verstoring een kort, laag tuk of tsjuk. De zang, hier niet te verwachten, bestaat uit twee tot vier heldere, opwaartse fluittonen, tjuu-wie-tjuu, met een ijl trillertje erachter.
Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
21–23 cm. Een kleine, slanke lijster, kleiner dan een zanglijster, met een korte staart en relatief lange, spitse vleugels. Kop leigrijs, rug olijfbruin; dat kleurverschil valt al op afstand op. De koptekening is het belangrijkste kenmerk: een lange, zuiver witte wenkbrauwstreep, een korte witte streep onder het oog en een witte vlek aan de kinbasis, scherp afgetekend tegen het donkergrijze gezicht. Borstzijden en flanken effen oranje, scherp begrensd tegen een witte buik en witte onderstaartdekveren; verder ongevlekt. Het vrouwtje is bruiner van kop, met een witachtige, licht gestreepte keel; eerstejaars hebben vaak een bleke vleugelstreep. Ondervleugel grijs. Snavel geel met donkere punt.
Verwarringssoorten
De zwartkeellijster (Turdus atrogularis) en de bruine lijster (Turdus eunomus) zijn groter en hebben zwart op keel of borst en geen oranje flanken; de bruine lijster heeft bovendien een roestrood vleugelpaneel. De roodkeellijster (Turdus ruficollis), in het gebied niet vastgesteld, heeft een roestrode keel en borst en mist de witte wenkbrauwstreep. De zanglijster (Turdus philomelos) heeft een gevlekte borst en een okergele ondervleugel; de koperwiek (Turdus iliacus) een gestreepte borst en roestrode, geen oranje, flanken.
Leefgebied
Broedt in dicht, vochtig taigabos met spar, zilverspar en lariks; overwintert in bergbos, boomgaarden en parken in Zuidoost-Azië. De dwaalgasten in het gebied zaten in bosjes, tuinen en parken met struiken en bessen, in boomgaarden en heuvels met olijven en eiken, en in groene oases; ze foerageren lopend op de grond onder dekking of eten bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen als dwaalgast. Israël kent twee gevallen: Eilat in oktober 1996 en een eerstejaars vogel die op 4 november 2007 bij het Jerusalem Bird Observatory werd geringd. In Libanon werd op 23 november 2017 een vogel geschoten bij Bchaaleh (Batroun), het eerste geval voor het land. Porter & Aspinall noemen de soort daarnaast als dwaalgast in Oman en de Emiraten; de oude Emiraatse gevallen zijn niet gedocumenteerd. Uit Noord-Afrika niet bekend. Broedt van Midden-Siberië tot Kamtsjatka en Noord-Japan en overwintert van Noordoost-India en Zuid-China tot Indonesië en de Filipijnen; ook zeldzaam op Cyprus en in Europa.
Hoe en wanneer kijken
Niet gericht te zoeken; houd in oktober en november de meldingen uit Eilat, Jeruzalem en de Golfstaten in de gaten. Wie zelf zoekt, bekijkt in de herfst lijsters en andere zangvogels in de ringstations, parken en groene tuinen van de Levant en let op de combinatie van grijze kop, witte wenkbrauwstreep en oranje flanken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een zeer groot areaal en een grote populatie; in het winterkwartier wordt de soort plaatselijk gevangen. In het gidsgebied een zeer zeldzame dwaalgast, met enkele zekere herfstgevallen in Israël en Libanon en enkele oudere meldingen in Oman en de Emiraten.
Wetenschappelijke naam
Turdus obscurus | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. obscurus is Latijn voor 'donker, onopvallend', naar het gedempte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de bossen ten oosten van het Baikalmeer.


