Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Witoogeend

Witoogeend | Aythya nyroca

Ferruginous Duck | Porrón pardo

Een kleine, donker mahoniebruine duikeend met een helderwitte onderstaart, die zich graag ophoudt tussen riet en drijvende planten. De meren bij El Kala in Noordoost-Algerije en de moerassen van Zuid-Irak zijn de belangrijkste broedgebieden van het gebied; in de rest van Noord-Afrika en het Midden-Oosten is hij vooral op doortrek en in de winter te zien.

Witoogeend (Aythya nyroca)
Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Grotendeels stil. Het mannetje laat in de balts een zacht tsjoek en een fluitend wiehoe horen, het vrouwtje een rauw, herhaald err-err-err.

Luister: VluchtroepXC1070137

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 40 cm, compact, met een hoge, wat puntige kruin midden op de kop en een vrij lange donkergrijze snavel met zwarte punt. Het mannetje is rijk kastanje- tot mahoniebruin, op de rug donkerder, met een opvallend wit oog en scherp afgetekend witte onderstaartdekveren; in vlucht valt ook een witte buikvlek op. Het vrouwtje is doffer en bruiner, met een donker oog, maar ook met witte onderstaart. In vlucht een brede, heldere witte vleugelstreep die ver over de handpennen doorloopt.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de kuifeend (Aythya fuligula) kan ook een witte onderstaart hebben, maar heeft een ronde kop met een kort kuifje, een geel oog en koudere bruintinten. Het vrouwtje van de tafeleend (Aythya ferina) is grijzer, met een lichte bril, en heeft een grijze vleugelstreep. Hybriden van witoogeend met tafeleend of kuifeend komen voor en vragen aandacht voor kopvorm, snaveltekening en de kleur van de onderstaart.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke zoete wateren met veel oever-, drijf- en onderwatervegetatie, rietkragen en open plekken tussen de planten. Buiten de broedtijd ook op grotere meren, stuwmeren en rivieren, vaak dicht langs de rand. Duikt naar zaden, waterplanten en ongewervelden en grondelt ook in ondiep water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Algerije een belangrijke broedvogel op de meren bij El Kala (onder meer Lac Tonga en Lac des Oiseaux), verder schaars op de Hauts Plateaux. In Marokko een schaarse broedvogel op enkele wetlands in het noorden en de Midden-Atlas; in Tunesië broedt een klein aantal in het noorden. In Egypte vooral een wintergast in de Nijldelta en op de meren langs de kust. In Israël, Jordanië en Syrië een schaarse doortrekker en wintergast. In Irak broedt de soort in de Mesopotamische moerassen en overwintert daar in aantal. Op het Arabisch Schiereiland, van Koeweit tot Oman en Jemen, een schaarse wintergast op wetlands en rioolwaterplassen. Daarbuiten broedt hij van Oost-Europa tot Centraal-Azië en West-China en overwintert hij tot in de Sahel en India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het voorjaar is Lac Tonga in het nationaal park El Kala de beste plek: zoek de randen van de drijvende vegetatie af. Zie je een donkere duikeend tussen tafeleenden, wacht dan tot hij zijn achterkant laat zien: de witte onderstaart is het beste kenmerk, ook op afstand.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort is in de vorige eeuw sterk achteruitgegaan door het droogleggen en vervuilen van moerassen en door jacht. De populaties in Noordoost-Algerije en Irak zijn van groot belang; in Irak profiteerde de soort van het herstel van de moerassen na 2003, maar waterwinning stroomopwaarts en droogte bedreigen dat herstel.

Wetenschappelijke naam

Aythya nyroca | (Güldenstädt, 1770)

Güldenstädt beschreef de soort in 1770 als Anas nyroca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aythya werd in 1822 ingevoerd door Boie. Aythya komt van Grieks aithuia, bij Aristoteles en Hesychius de naam van een niet nader te bepalen duikende zeevogel. nyroca gaat terug op het Russische nyrok, de naam voor duikeenden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Rusland.