Alle soorten › Zangvogels › Zijdestaart › Zijdestaart
Zijdestaart | Hypocolius ampelinus
Grey Hypocolius | Hipocolio
De zijdestaart is de enige soort van zijn familie: een slanke, gladde, grijze vogel met een lange staart, die in gedrag iets heeft van een pestvogel en een klauwier. De Golfstaten en Oost-Arabië zijn de beste plek ter wereld om hem in de winter te zien, op vaste slaapplaatsen in dadelpalmtuinen en struweel.
Geluid
Vaak het eerste teken van aanwezigheid: een zacht, miauwend en vloeiend tre-tur-tur en een fluitend wieu, vooral bij de slaapplaats en in vlucht; daarnaast een kort, hard kirr. De zang is een eentonig, zacht gekwetter.
Opname: Viral joshi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
25 cm. Slank, met een kleine kuif, een lange staart en een korte, iets gehaakte snavel. Het mannetje is zacht blauwgrijs met een zandkleurige zweem op borst en buik, een zwart masker dat van de snavel door het oog tot een band rond de achterhals loopt, een zwarte eindband aan de staart en zwarte handpennen met witte toppen, die in vlucht een opvallende witte vlek vormen. Het vrouwtje is egaler zandig grijsbruin met een lichte keel, zonder zwart masker; ook zij heeft een donkere staartpunt, en haar handpennen zijn grijs met een zwart-witte top. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. Beweegt zich vaak onopvallend binnen in dichte struiken, maar zit bij slaapplaatsen en zonnend ook bovenop.
Verwarringssoorten
De pestvogel (Bombycilla garrulus), die in het gidsgebied niet voorkomt, heeft een vergelijkbaar silhouet maar is roze-bruin, met een gele staartpunt. De klapekster (Lanius excubitor) heeft ook een zwart masker, maar dat loopt niet rond de nek, en hij heeft een zwarte staart met witte zijkanten en een zware, gehaakte snavel. Vrouwtjes kunnen aan een kleine babbelaar doen denken, maar die zijn bruiner, met ronde vleugels en een geheel andere roep.
Leefgebied
Halfwoestijn met dichte struiken en bomen: dadelpalmtuinen, boerderijen en plantages, oases, wadi's met Salvadora, Ziziphus en Prosopis, en tuinen. Leeft in de winter vooral van vruchten en bessen, met name van Salvadora persica, en slaapt in groepen van tientallen tot honderden vogels in dichte struiken. Broedt in palmtuinen en boomgroepen langs rivieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuiden van Irak, in de dadelpalmtuinen en het oeverbos langs Tigris en Eufraat, en sinds 2014 in kleine aantallen in Koeweit (eerste broedgeval van het Arabisch Schiereiland, bij Jahra). Overwintert in het oosten van Saoedi-Arabië (onder meer in de oase van Al-Hasa en bij Haradh, waar groepen van honderden voorkomen), in Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en het noorden van Oman; in Koeweit vooral als doortrekker in voor- en najaar, soms ook in de zomer. Zeldzaam maar vrij regelmatig in het zuiden van Israël, dwaalgast in Egypte. Daarbuiten broedt hij in Zuid-Iran, Turkmenistan, West-Afghanistan en Pakistan en overwintert hij ook in Zuid-Iran, Pakistan en Noordwest-India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De bekende slaapplaatsen zijn de klassieke manier: in Bahrein bij Jasra, in de Emiraten de plantages bij Ghantoot tussen Dubai en Abu Dhabi, in Oman bij Qatbit en Muntasar en in Qatar de boerderijen bij Irkhaya. Kom tegen zonsondergang of vlak na zonsopkomst en luister naar de miauwende roepen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De wereldpopulatie is niet groot en de soort is plaatselijk afhankelijk van een paar wintergebieden en slaapplaatsen; het verdwijnen van oude dadelpalmtuinen, boerderijen en Salvadora-struweel, onder meer door bebouwing in de Golfstaten, is een bedreiging. Recent breidt hij zich als broedvogel uit naar Koeweit.
Wetenschappelijke naam
Hypocolius ampelinus | Bonaparte, 1850
Bonaparte beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Hypocolius voerde hij in datzelfde werk in. Hypocolius is gevormd uit het Griekse hupo 'bijna, nabij' en de geslachtsnaam Colius, de muisvogels, waarop de vogel in bouw en houding lijkt. ampelinus is Grieks voor 'van de wijnstok', naar de gelijkenis met de pestvogels, die vroeger Ampelis heetten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van Ethiopië.


