Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Zwarte frankolijn
Zwarte frankolijn | Francolinus francolinus
Black Francolin | Francolín ventrinegro
De haan is het opvallendste hoen van de Levant en Mesopotamië: diepzwart met een spierwitte wangvlek, een kastanjebruine halsband en een zee van witte druppels op de flanken. Toch krijg je hem zelden goed te zien. Meestal blijft het bij zijn harde, ritmische roep uit een akker of rietrand, en een glimp van een zwarte vogel die zich op een dijkje of een steen laat zien.
Geluid
Een hard, krassend en ritmisch refrein van zes à zeven lettergrepen, tsjik-tsjiek-tsjiek, kerr-ki-kerr, schel en metalig, over grote afstand hoorbaar. De haan roept vanaf een verhoging (een dijk, een steen, een paaltje) vooral bij zonsopgang en tegen de avond, in het voorjaar ook overdag. Bij onraad een snel kik-kik-kik.
Opname: Gary Elton — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 35 cm, stevig en kortstaartig. De haan is grotendeels zwart, met een witte wangvlek onder het oog, een brede kastanjebruine halsband en kastanjebruin op de onderbuik en onderstaartdekveren. Borst en flanken zwart met dichte witte druppels; rug en vleugels bruin met roomkleurige randen en zwarte vlekken. De staart is fijn zwart-wit gebandeerd. De hen is warm bruin met donkere schubben en vlekken, een bleek gezicht met donkere oogstreep, en een duidelijke roestbruine vlek in de nek. Poten oranjerood, snavel zwart. De haan draagt een spoor aan de loop. Vliegt op met een hard geklapper en gaat dan laag en recht weg.
Verwarringssoorten
De haan is onmiskenbaar. De hen kan lijken op de grijze frankolijn (Ortygornis pondicerianus), die alleen in het zuiden van Irak en Oost-Arabië voorkomt: die is grijzer, over het hele lichaam fijn gebandeerd in plaats van gevlekt, met een effen geelbruine keel en zonder roestbruine nekvlek. De Aziatische steenpatrijs (Alectoris chukar) is grijs met een omlijnde witte keel en rode snavel en leeft op droge rotshellingen, niet in vochtige laagvlakten. De kwartel (Coturnix coturnix) is veel kleiner.
Leefgebied
Vochtige, dicht begroeide laagvlakten met afwisseling: rietranden en ruigte langs moerassen, rivieren en irrigatiekanalen, struweel van tamarisk en Prosopis, akkers met graan, katoen en suikerriet, braakland en boomgaarden. In de Jordaanvallei en de Hula-vlakte ook in visvijvergebieden. Mijdt kaal, droog terrein. Eet zaden, scheuten, knollen en insecten, die hij op de grond bijeenkrabt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied in Israël (Hula-vlakte, Bovenste en Middelste Jordaanvallei, Bet She'an-vallei en plaatselijk de kustvlakte), in de Jordaanvallei in Jordanië, en in Irak in de vlakten van Eufraat en Tigris en de moerassen in het zuiden, met uitlopers naar Koeweit. In Syrië en Libanon zeldzaam en plaatselijk, en zijn status is daar onduidelijk. De Iraakse vogels behoren tot de ondersoort F. f. arabistanicus. Buiten het gebied van Cyprus en Zuid-Turkije via de Kaukasus en Iran tot Noordoost-India en Nepal.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In april en mei in de Hula-vlakte of de Bet She'an-vallei, bij zonsopgang langs de rand van visvijvers en akkers: de roep is niet te missen. Zoek dan de dijkjes en stenen af waar de haan op gaat staan om te roepen. Langzaam rijden met de auto langs de landbouwwegen werkt beter dan lopen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In de Levant ging de soort in de twintigste eeuw sterk achteruit door jacht en het droogleggen van moerassen, maar in Israël heeft hij zich na bescherming en dankzij landbouw met irrigatie goed hersteld. In Irak heeft het droogleggen van de Mesopotamische moerassen leefgebied gekost; het herstel van delen ervan na 2003 helpt. Jacht blijft in Syrië en Irak een belangrijke factor.
Wetenschappelijke naam
Francolinus francolinus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tetrao Francolinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Francolinus werd in 1819 ingevoerd door Stephens. Francolinus is een latinisering van francolin, dat via het Frans is overgenomen uit het Italiaanse francolino; over de herkomst van dat Italiaanse woord bestaat geen zekerheid. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cyprus.


