Utricularia en de randgevallen
Carnivorie is bij planten niet één keer ontstaan maar minstens elf keer, in aparte families die niets met elkaar te maken hebben. Deze gids trekt daarbinnen een scherpe grens: opgenomen zijn alleen de tien geslachten waarvan de val zelf vangt, zelf verteert én boven de grond en boven water te zien is. Wat daarbuiten valt, krijgt hier éénmalig aandacht — niet als volledige soortbladzijden, maar als toelichting op waar de grens ligt en waarom.
Utricularia — blaasjeskruid
Met ongeveer 250 soorten is blaasjeskruid het grootste geslacht van alle vleesetende planten, ruimschoots groter dan Drosera en Nepenthes samen. De soorten groeien wereldwijd, van drijvende waterplanten tot epifyten in vochtig regenwoud en piepkleine landvormen in drassige grond. De val is een holle, met een klepje afgesloten blaas die onder onderdruk wordt gezet; raakt een prooidiertje de gevoelige haren bij de opening, dan klapt het klepje in een fractie van een milliseconde open en wordt het dier naar binnen gezogen — een van de snelste bewegingen die in het plantenrijk bekend zijn. Deze gids laat het geslacht toch buiten de soortenlijst: de blaasjes zitten onder water of onder de grond en zijn dus niet de zichtbare val die de andere tien geslachten laten zien. De vangmechanismenlijst van deze gids reserveert er al een code voor (BLAAS), zodat het geslacht zonder verbouwing kan worden toegevoegd mocht die grens ooit verschuiven.


Ondergronds en onder water: Genlisea, Philcoxia en Aldrovanda
Drie andere geslachten vallen om dezelfde reden als Utricularia buiten de gids. Genlisea (ongeveer 30 soorten, tropisch Afrika en Zuid-Amerika) heeft ondergrondse, spiraalvormige bladeren met een fuikval: piepkleine bodemorganismen kunnen er wel in maar niet meer uit. Philcoxia (7 soorten, de Braziliaanse cerrado) vangt op vergelijkbare wijze met kleverige bladeren die verscholen liggen onder het zand. Aldrovanda, het waterrad, is de enige waterplant met een klapval — nauw verwant aan Dionaea en met een vrijwel identieke, razendsnelle beweging, maar dan drijvend onder het wateroppervlak in voedselarme vennen. Bij alle drie geldt dezelfde grens als bij blaasjeskruid: de val bestaat en werkt overtuigend, maar is niet boven water of boven de grond te zien.



Vangen zonder zelf te verteren: Roridula en Triphyophyllum
Roridula (2 soorten, Kaapse fynbos, Zuid-Afrika) heeft kleverige, met harsdruppels bedekte bladeren die net zo'n indrukwekkende insectenvangst opleveren als bij Drosera — maar de plant produceert geen verteringsenzymen en neemt de voedingsstoffen niet rechtstreeks op. In plaats daarvan leeft er een gespecialiseerde roofwants, Pameridea, ongevoelig voor de kleefstof, die de gevangen prooien leegzuigt; de plant neemt op zijn beurt stikstof op uit de uitwerpselen van die wants. Het is het schoolvoorbeeld van een grensgeval: een val die feilloos werkt, gekoppeld aan een dier dat de vertering overneemt. Triphyophyllum peltatum (1 soort, West-Afrikaans regenwoud) is vleesetend gedurende slechts één fase van zijn bestaan: als jonge plant vormt hij kleverige vangbladeren, voordat hij overschakelt op de klimmende, niet-vleesetende bladvorm waarmee hij als liaan hoog de boomkruinen in groeit. Geen van beide soorten voldoet aan de dubbele eis van deze gids — zelf vangen én zelf verteren, het hele leven lang — en beide blijven daarom zonder eigen bladzijde.




Protocarnivoren: Stylidium, Brocchinia, Catopsis, Passiflora en Saxifraga
Nog verder van de kern liggen de zogeheten protocarnivoren: planten die insecten vangen of doden, maar waarvan vertering, opname of zelfs het voordeel voor de plant onbewezen of omstreden is. Stylidium (triggerplant, meer dan 300 soorten, vooral Australië) heeft klierharen die insecten vasthouden en mogelijk verteringsenzymen afscheiden, naast zijn bekendere truc met de tikkende meeldraad-stijl die bestuivers een klap geeft. Brocchinia en Catopsis, twee bromelia-geslachten uit Zuid- en Midden-Amerika, vormen met hun bladrozet een wateropvangend tankje waarin insecten verdrinken; sommige soorten hebben een gladde, wasachtige binnenwand die de val vergroot, en er zijn aanwijzingen voor bacteriële afbraak waarvan de plant meeprofiteert. Bij een klein aantal Passiflora-soorten (passiebloem) vangen kleverige schutbladeren onder de bloem insecten, vermoedelijk vooral ter verdediging tegen bloemrovers en niet als voedselstrategie. Enkele Saxifraga-soorten (steenbreek) hebben om dezelfde omstreden reden kleverige, insectenvangende bladharen. Geen van deze geslachten voldoet aan de eis dat de plant zelf vangt én zelf verteert; ze krijgen daarom geen soortbladzijden, al horen ze wel bij het volledige verhaal van hoe vaak, en hoe verschillend, het vangen van dieren in het plantenrijk is uitgeprobeerd.







