Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora huberi
Heliamphora huberi
Het Chimantá-massief is geen enkele tafelberg maar een cluster van een tiental aan elkaar grenzende plateaus, en het herbergt meer soorten Heliamphora dan enige andere plek ter wereld. Heliamphora huberi, in 2009 beschreven en genoemd naar de botanicus Otto Huber, is daar een van. De soort neemt in bouw een middenpositie in tussen twee groepen binnen het geslacht, en dat is geen toeval: haar beschrijvers houden rekening met een hybride oorsprong.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een rozet van rechtopstaande bekerbladen, elk gevormd uit één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad over de voorzijde. De beker verbreedt zich naar boven en draagt bovenop de achterrand een duidelijk vrijstaand nectarlepeltje — het kleine, kapvormige orgaan dat bij Heliamphora in de plaats is gekomen van de brede kap die Sarracenia draagt. Juist dat lepeltje is bij deze soort het houvast, want het is noch zo sterk gereduceerd als bij Heliamphora exappendiculata, noch zo breed aangehecht als bij Heliamphora pulchella. De algehele indruk van de plant is intermediair: in grootte en bekervorm zit ze tussen de kleine soorten rond Heliamphora minor en de forsere soorten rond Heliamphora heterodoxa in. De kleur loopt, zoals in het hele geslacht, van geelgroen bij planten in de schaduw tot rood bij planten in vol licht. De bloeiwijze is een eenzijdige tros op een lange steel met knikkende bloemen waarvan de tepalen tijdens de bloei van kleur veranderen.
Gelijkende soorten
Dit is een soort die je niet op één kenmerk determineert maar op de combinatie, en die op haar eigen bergen omringd is door verwanten. Heliamphora exappendiculata, van hetzelfde massief, mist het vrijstaande lepeltje vrijwel geheel en heeft een opvallend vlak uitgespreide bekermond. Heliamphora pulchella, eveneens van Chimantá, heeft een breed aangehecht lepeltje en een dicht behaarde bekerbinnenkant. Heliamphora chimantensis van hetzelfde complex is aanzienlijk groter en vormt uitgestrekte klonale matten. En dan zijn er de hybriden: natuurlijke kruisingen van deze soort met exappendiculata en met pulchella zijn beide beschreven, en die planten laten zich in het veld niet met zekerheid plaatsen. Wie op Chimantá determineert, doet er goed aan de hele populatie te bekijken in plaats van één plant.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval van het valkuiltype, met de werkverdeling die voor het hele geslacht geldt: de plant maakt zelf weinig tot geen verteringsenzymen en laat het afbreken van de prooi over aan bacteriën en andere micro-organismen in de bekervloeistof, om daarna de vrijkomende stikstof- en fosforverbindingen op te nemen. Het nectarlepeltje aan de achterrand scheidt nectar af en staat precies boven de opening, zodat een insect dat erop afgaat al boven de val zit. De bovenste zone van de binnenwand draagt naar beneden gerichte haren waarlangs terugklimmen onmogelijk is; daaronder is de wand glad. Een afwateringsspleet in de wand regelt de waterstand en voorkomt dat een stortbui op deze bijzonder natte bergen de vangst over de rand spoelt.
Standplaats en ecologie
Het plateau van de tafelberg (R4): kaal zandsteen met spleten, kommen en laagten, waarin zich zure turf ophoopt zonder dat van een bodem in de gewone zin sprake is. Binnen dat landschap staat de plant vooral op de permanent natte plekken met veenmos (W1), waar het water blijft staan of langzaam doorsijpelt; op Akopán-tepui vormt ze daar uitgestrekte, aaneengesloten begroeiingen. Het substraat is extreem arm aan stikstof en fosfor en wordt door de aanhoudende regen voortdurend uitgeloogd. Het klimaat is koel en vrijwel permanent vochtig; het massief ligt een groot deel van de dag in de wolken, en de temperatuur wisselt meer van dag tot nacht dan van seizoen tot seizoen.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de deelstaat Bolívar, Venezuela. De literatuur noemt de soort van verschillende deeltepuis van het Chimantá-massief — onder meer Akopán, Amurí, Apacará, Chimantá en Toronó — en daarnaast van Angasima-tepui, dat bij de aangrenzende Aprada-groep hoort. De groeiplaatsen liggen ruwweg tussen 1850 en 2200 m. Verder dan die mondelinge opsomming komen de openbare verspreidingsgegevens niet: in de internationale databestanden staat voor deze soort geen enkele verspreidingsregio geregistreerd, zodat de kaart hier leeg blijft en alleen de literatuuropgave overblijft. Dat is voor een recent beschreven tepui-soort geen uitzondering. Het geslacht als geheel blijft beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild, in Venezuela, westelijk Guyana en het uiterste noorden van Brazilië.
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. De planten verschillen wel merkbaar per deeltepui in grootte en bekervorm, en daarbovenop is er de gewone kleurvariatie tussen groen in de schaduw en rood in het licht; geen van beide is met een naam vastgelegd. Wat deze soort bijzonder maakt, is dat de variatie zelf onderwerp van discussie is: de intermediaire bouw tussen de minor- en de heterodoxa-groep bracht de beschrijvers ertoe een hybride oorsprong te overwegen. Daarnaast zijn er de wilde kruisingen van vandaag: natuurlijke hybriden met Heliamphora exappendiculata en met Heliamphora pulchella zijn van het massief bekend en laten zien dat de soortgrenzen hier doorlaatbaar zijn.
Waar en wanneer te zien
Het Chimantá-massief is alleen per helikopter of via een meerdaagse tocht met gids te bereiken en ligt in beschermd gebied. Zoek op de natte, open delen van het plateau, waar de soort plaatselijk grote oppervlakten bedekt, en niet op de rotswanden — daar staat eerder exappendiculata. Bekijk eerst het nectarlepeltje van opzij: staat het vrij op een steeltje, dan zit je goed; ligt het ingebed in de bekertop, dan is het een andere soort. Kijk daarna naar de binnenkant van de beker, want dichte beharing wijst op pulchella of op een kruising daarmee. Van de bloeitijd is niets vastgelegd in de literatuur.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Wat bekend is: de soort komt voor op meerdere plateaus van het Chimantá-massief en op Angasima-tepui, en is daarmee naar de maatstaven van dit geslacht niet bijzonder zeldzaam; op enkele bergen vormt ze zelfs uitgestrekte begroeiingen. Het gebied ligt afgelegen en is niet zonder vergunning toegankelijk, en er is geen landbouw- of mijnbouwdruk van betekenis. Tegelijk blijft het totale verspreidingsgebied klein en is het waarnemingsbestand zo dun dat er voor deze soort niet eens een verspreidingsregio in de internationale databestanden staat. Verzamelen voor de handel geldt als het genoemde risico voor het geslacht, maar kweekmateriaal komt vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een formele beoordeling betekent hier een leemte in de kennis, geen vastgestelde achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Heliamphora huberi | Fleischmann, Wistuba & Nerz, 2009
Beschreven door Andreas Fleischmann, Andreas Wistuba en Joachim Nerz in 2009, in Willdenowia 39(2): 273–283. De soort is endemisch op het Chimantá-massief in Venezuela, waar zij groeit op 1850 tot 2200 meter hoogte op meerdere tepuis, waaronder Angasima-, Apacará-, Amurí- en Acopán-tepui en het grensgebied van Torono- en Chimantá-tepui. De soortnaam huberi eert vermoedelijk de Oostenrijks-Venezolaanse botanicus Otto Huber, die uitgebreid onderzoek deed naar de flora van de Guayana-hoogvlaktes; volledige zekerheid over deze toewijding kon niet worden gevonden.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.