Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora uncinata
Heliamphora uncinata
Van Heliamphora uncinata is één groeiplaats bekend: een smalle kloof in het Chimantá-massief, op ongeveer 1850 m. De soort werd in 2009 beschreven en dankt haar naam aan het Latijnse uncinus, haakje — een verwijzing naar het opvallend gehaakte nectarlepeltje. Het is bovendien een plant die niet in veen staat, maar rechtstreeks op natte rotswand groeit.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een rozet van rechtopstaande tot iets overhangende bekerbladen van ongeveer 25 tot 35 cm lang, aan de opening 8 tot 10 cm breed — voor dit geslacht flink uit de kluiten gewassen. Elke beker is één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid, met een naad aan de voorkant. De mond is rond, met de achterzijde opgetrokken tot een opstaand deel dat als een klein dak boven de opening hangt. Het determinatiekenmerk staat daar bovenop: het nectarlepeltje is duidelijk gehaakt, naar voren en omlaag gekromd, en is vrijwel altijd rood — ook bij planten die verder geheel groen zijn. De bekerkleur is namelijk opvallend egaal lichtgroen; alleen bij meer licht slaat hij om naar oranjerood. Bij pas geopende bekers is onder ultraviolet licht een sterke blauwe fluorescentie waargenomen, die bij oudere bekers van dezelfde plant weer verdwijnt. Maten van bloeistengel en bloemdelen zijn in toegankelijke literatuur niet vastgelegd.
Gelijkende soorten
De soort die er in bouw en standplaats het dichtst bij komt is Heliamphora exappendiculata, wijd verbreid in hetzelfde massief en eveneens een bewoner van natte rotswanden; vermoed wordt dat uncinata daaruit is voortgekomen. Bekervorm, groeiwijze en het uiterlijk van het nectarorgaan lijken op elkaar, en dat maakt het gehaakte, rode lepeltje van uncinata het bruikbaarste onderscheid in het veld: bij exappendiculata is dat orgaan gereduceerd tot vrijwel niets. Ook Heliamphora pulchella komt in het Chimantá-massief voor, maar die is veel kleiner, dicht behaard van binnen en groeit in veen in plaats van op rotswand. Andere soortgenoten van het massief staan op de open plateaus en niet in de kloven. Met Sarracenia is verwarring geografisch uitgesloten.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval van formaat, die het verteren grotendeels aan bacteriën overlaat: de plant maakt zelf nauwelijks tot geen enzymen en neemt de door bacteriën vrijgemaakte stikstof en fosfor op. Het gehaakte nectarlepeltje is het lokorgaan; door de kromming hangt het boven de opening, zodat een insect dat de nectar zoekt zich precies boven de val bevindt. De bovenste zone van de binnenwand draagt naar beneden gerichte vangharen die terugklimmen onmogelijk maken; het zijn juist die haren die bij een pas geopende beker oplichten onder ultraviolet licht. Of dat licht werkelijk als lokmiddel dient is onzeker — bij deze soort verdwijnt het effect zodra de beker ouder wordt. Daaronder is de wand glad. De standplaats zorgt voor voortdurende toevoer van water, zodat de val niet uitdroogt.
Standplaats en ecologie
Een smalle kloof in het tafelbergmassief (R4), en daarbinnen de natte rotswand (R1). De planten wortelen rechtstreeks op zandsteen dat permanent wordt natgehouden door water dat van het plateau boven naar beneden komt, en verder in humuspockets en spleten in datzelfde gesteente. Het is dus een standplaats zonder bodem in de gewone zin: wat aan voedingsstoffen beschikbaar is, bestaat uit wat zich in een spleet heeft opgehoopt, en dat spoelt bij elke bui weer deels weg. De kloof is bovendien schaduwrijk, wat verklaart waarom de bekers meestal egaal lichtgroen blijven in plaats van rood aan te lopen. Het klimaat is koel en vrijwel permanent vochtig. Onder deze omstandigheden — permanent water, permanent gebrek aan stikstof — is een val die insecten omzet de enige realistische manier om aan voedingsstoffen te komen.
Verspreiding en hoogte
De soort is endemisch in Venezuela en tot dusver alleen van de typevindplaats bekend: één smalle kloof in het Chimantá-massief, op ongeveer 1850 m. Het massief telt talloze kloven, en omdat maar een klein deel daarvan ooit botanisch is bezocht, zegt die ene vindplaats meer over de mate van onderzoek dan over de werkelijke verspreiding; het is goed mogelijk dat de soort elders in hetzelfde stelsel ook staat. Een fijnmazige kaart is niet te maken: in de internationale verspreidingsdatabanken is voor Heliamphora uncinata geen enkele verspreidingsregio vastgelegd, zodat wat hier staat volledig op de taxonomische literatuur berust. Precieze vindplaatsen blijven buiten beschouwing. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild.
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven, en dat is voor een soort die van één kloof bekend is ook niet te verwachten. De variatie die er is, is er een van kleur en hangt af van hoeveel licht een plant vangt: in de schaduw van de kloofwand blijven de bekers egaal lichtgroen, op de lichtere plekken lopen ze oranjerood aan. Het nectarlepeltje blijft in beide gevallen rood. Natuurlijke hybriden zijn van deze soort niet vastgelegd, maar de verwantschap met Heliamphora exappendiculata is zo nauw dat kruisingen niet uit te sluiten zijn waar beide op korte afstand van elkaar op dezelfde wand staan; dat is echter niet onderzocht.
Waar en wanneer te zien
Het Chimantá-massief is alleen per helikopter of via een lange tocht te bereiken en ligt in het Nationaal Park Canaima; bezoek gaat met vergunning en gids. Wie in een kloof afdaalt, moet niet op de plateaubodem zoeken maar omhoog kijken: de planten zitten op de wand zelf, in de baan waar water naar beneden sijpelt, en in de spleten daarnaast. Het eerste wat je ziet is meestal niet de beker maar het rode lepeltje, dat afsteekt tegen de egaal groene wand. Verwar de soort niet met de veel wijder verbreide rotswandsoort van hetzelfde massief; kijk naar het nectarorgaan, want dat is bij die andere soort vrijwel afwezig. Klim niet over de bezette wandpartijen heen; de wortels zitten in dunne humuslaagjes die makkelijk loslaten.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Wat er wél over te zeggen valt: de bekende verspreiding beperkt zich tot één kloof, en dat is het kleinste areaal dat in dit geslacht voorkomt. Zo'n cijfer moet met de nodige voorzichtigheid gelezen worden, want het massief is nauwelijks doorzocht en de soort zou elders in hetzelfde stelsel kunnen staan. Daar staat tegenover dat het leefgebied in een nationaal park en werelderfgoedgebied valt, dat de kloof zonder vergunning en helikopter niet bereikbaar is, en dat een rotswand aanzienlijk lastiger leeg te halen is dan een open veen. Verzameling voor de handel wordt voor het geslacht standaard als risico genoemd, maar kweekmateriaal komt inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een beoordeling is hier vooral een gevolg van het gebrek aan veldgegevens.
Wetenschappelijke naam
Heliamphora uncinata | Nerz, Wistuba & Fleischmann, 2009
Beschreven door Joachim Nerz, Andreas Wistuba en Andreas Fleischmann in 2009, in Willdenowia 39(2): 273–283. Het typegebied ligt in een smalle kloof op Amurí-tepui, op ongeveer 1850 meter hoogte, op zandsteenrotswanden. De soortnaam uncinata is Latijn voor "gehaakt" en verwijst naar een haakvormige structuur in de bouw van de plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.