De vogel binnen het dierenrijk
Een vogel is geen ding op zichzelf. Hij is een dinosauriër, die een reptiel is, die een gewervelde is, die een chordadier is, die een dier is, die een eukaryoot is — elke groep zit in de vorige, als een reeks dozen. Deze bladzijde loopt die reeks af, van de cel met een kern tot de vogel op je erf, en houdt halt bij de bouwkenmerken waaraan je elke groep herkent.
Van eencellige tot viervoeter met eivliezen — de omvattende groepen
Een vogel valt binnen een reeks steeds ruimere groepen, die begint bij de eencelligen met een celkern. Elke groep hieronder valt binnen de vorige: dit is één keten van omvattende groepen, geen volledig overzicht van alle takken. Bij de knopen waar de bouw duidelijk verschilt van die van de ruimere groep staat het kenmerk apart beschreven, en wat het het dier oplevert.
-
Eukaryoten Eukarya
De cel met een kern en met mitochondriën als energiefabriek — de bouwsteen waaruit elk dier, elke plant en elke schimmel is opgetrokken.
-
Vormlozen Amorphea
De tak van eencelligen zonder vaste vorm, die kruipt op uitstulpingen van het eigen celvlies in plaats van te drijven achter een krans van zweepharen.
-
Zweepstaartverwanten Obazoa
De drie takken — breviaten, apusomonaden en achterzweepstaartigen — die samen de naaste verwantschap van het dierenrijk vormen.
-
Achterzweepstaartigen Opisthokonta
Dieren en schimmels samen: cellen die zich voortduwen met één zweepstaart aan de achterkant, precies zoals een zaadcel dat doet.
-
Diervormigen Holozoa
De diertak binnen de achterzweepstaartigen: alle dieren plus de eencelligen die dichter bij ons staan dan bij een schimmel, zoals de kraagflagellaten.
-
Dieren Metazoa
Alle echte dieren, van spons tot vogel: veelcellige organismen die hun voedsel binnenhalen door het op te eten.
Anatomisch kenmerk — Eén lichaam van samenwerkende cellenDe dieren in deze groep bestaan uit veel cellen met een taakverdeling: de ene cel vangt voedsel, de andere hecht het lichaam vast, weer een andere levert de geslachtscellen. Tussen de cellen zit een eiwitlijm — collageen — en eromheen ligt een gezamenlijk buitenvlies, zodat het geheel zich als één lichaam gedraagt. Daardoor kan een lijf veel groter zijn dan een cel, en van binnen een heel andere vorm hebben dan van buiten.
-
Weefseldieren Eumetazoa
Dieren met echte weefsels, zenuwcellen en spiercellen — alles behalve de sponzen, al is nog onbeslist of de ribkwallen erbij horen of erbuiten vallen.
-
Tweezijdigen Bilateria
Dieren met een voor- en een achterkant en met een linker- en een rechterhelft: de bouwvorm van vrijwel elk dier dat je ziet bewegen.
Anatomisch kenmerk — Een kop, een staart en een darm met twee openingenHet lichaam heeft een lengteas met een voorkant die vooropgaat en een achterkant die volgt. In die voorkant liggen zintuigen en zenuwcellen opeengehoopt tot iets wat een hoofd mag heten, en het darmkanaal loopt door van mond naar anus, zodat eten en verteren tegelijk kunnen gebeuren. Tussen buitenlaag en darm ligt een derde kiemlaag, het mesoderm, en daaruit zijn spieren, skelet en bloedvaten opgebouwd.
-
Nieuwmondigen Deuterostomia
De tak van de tweezijdigen waarbij de eerste opening van het embryo de anus wordt en de mond pas daarna doorbreekt; zeesterren en zee-egels zijn hierin onze verste neven.
-
Chordadieren Chordata
Dieren met een chorda, een holle zenuwstreng op de rug, kieuwspleten in de keel en een staart die voorbij de anus doorloopt.
Anatomisch kenmerk — Een veerkrachtige staaf in de rugIn de lengte van het lichaam ligt de chorda: een stevige maar buigzame staaf van vloeistofgevulde cellen in een stugge huls. Spieren die aan weerszijden aan die staaf trekken vouwen het lichaam niet zomaar dubbel, maar laten het als een zweep heen en weer golven, want de staaf veert telkens terug. Zwemmen is daardoor gericht en snel in plaats van kronkelend, en pal boven de staaf ligt de zenuwstreng die het ritme aanstuurt.
-
Reukchordaten Olfactores
Chordadieren met een echt reukorgaan: gewervelden en manteldieren samen, met het lancetvisje er net buiten.
-
Gewervelden Vertebrata
Dieren waarbij een reeks wervels de plaats van de chorda inneemt en waarbij een schedel zich om de hersenen sluit.
Anatomisch kenmerk — Een ruggengraat en een doos om de hersenenRond de chorda liggen losse elementen van kraakbeen of bot die aaneengeschakeld een wervelkolom vormen: sterker dan de staaf alleen, en met beweeglijke gewrichten tussen de segmenten. Aan de voorkant sluit een schedel zich om de hersenen, en het embryo heeft een eigen soort weefsel, de neurale lijstcellen, dat kaken, tanden en gezichtsbeenderen levert. Het lichaam heeft daarmee een inwendig frame dat meegroeit, in plaats van een pantser dat telkens vervangen moet worden.
-
Kaakdragers Gnathostomata
Gewervelden met kaken; hoe ruim de naam is hangt af van de auteur, want wie hem tot de kroongroep beperkt laat de uitgestorven pantservissen erbuiten en maakt hem gelijk aan Eugnathostomata.
Anatomisch kenmerk — Scharnierende kaken in de voorste kieuwbogenDe voorste kieuwbogen — kraakbenige beugels in het keelkorfje — staan hier niet rechtop maar naar voren gekanteld, en vormen scharnierende kaken. Een bovenkaak en een onderkaak sluiten op elkaar, met tanden erop van hetzelfde weefsel als de huidschubben. Een dier dat kan bijten hoeft niet af te wachten wat er langs komt drijven: het grijpt een prooi, houdt die vast en snijdt haar in stukken, en daardoor is jagen een manier van leven.
-
Echte kaakdragers Eugnathostomata
De kroongroep van de kaakdragers: haaien en roggen aan de ene kant, alles met een beenskelet aan de andere — maar over waar de uitgestorven pantservissen precies vallen, en dus hoe ver de naam reikt, verschillen de auteurs van mening.
-
Beenskeletdieren Euteleostomi
Gewervelden met een echt beenskelet, straalvinnigen zowel als kwastvinnigen; de een gebruikt de naam als exact synoniem van Osteichthyes en de ander voor een iets engere kroongroep, dus let op wie hem schrijft.
-
Kwastvinnigen Sarcopterygii
Vissen bij wie elke gepaarde vin aan een vlezige, beschubde steel met inwendige botten aan het lichaam zit — coelacant, longvis en alles wat op het land loopt.
-
Longkwastvinnigen Rhipidistia
De kleinste groep die de longvis en de vogel beide omvat: de kwastvinnigen met longen, met de coelacant er net buiten.
-
Viervoetvormigen Tetrapodomorpha
Kwastvinnigen die dichter bij ons staan dan bij de longvis, van Eusthenopteron en Tiktaalik tot elke vogel van vandaag.
Anatomisch kenmerk — Een vin met de botten van een armIn de vlezige borstvin liggen de botten in een vaste volgorde: één bot tegen de schouder aan, daarachter twee naast elkaar, en pas daarna de waaier van vinstralen. Dat ene bot is het opperarmbeen, de twee daarachter zijn spaakbeen en ellepijp — bij een vogel de vleugel, bij de mens de arm. De kop van het opperarmbeen is bovendien bol en draait in een kom van de schoudergordel, zodat de vin kan steunen en duwen in plaats van alleen te roeien.
-
Viervoeters Tetrapoda
Gewervelden met vier ledematen die eindigen in vingers en tenen, ook in de groepen waar die ledematen ontbreken, zoals bij de slang.
Anatomisch kenmerk — Vingers, een nek en ribben die gewicht dragenAan het uiteinde van de poot zit geen waaier van vinstralen maar een reeks losse kootjes met gewrichten ertussen, waarmee het dier zich kan afzetten tegen de bodem. De schoudergordel raakt de schedel niet, zodat er een nek is en de kop kan draaien zonder dat het hele lijf meedraait. De ribben zijn zwaar en houden de borstkas open, want buiten het water drukt een lichaam op zijn eigen longen.
-
Dieren met eiervliezen Amniota
Viervoeters die zich voortplanten met een ei waarin het embryo zijn eigen waterbad meedraagt — zoogdieren aan de ene kant, reptielen en vogels aan de andere.
Anatomisch kenmerk — Het ei dat zijn eigen vijver meeneemtOm het embryo liggen drie vliezen: het amnion met de vloeistof waarin het drijft, het allantois dat afval opslaat en de ademhaling verzorgt, en het chorion dat het geheel omsluit. Daaromheen zit een leerachtige of kalkige schaal die water binnenhoudt maar zuurstof doorlaat. De voortplanting is daardoor niet aan poel of plas gebonden, en ook het droge binnenland — duinen, steppen, hooggebergte — ligt binnen bereik.
Van reptiel tot dinosauriër: groepen binnen groepen
Binnen de dieren met eiervliezen vallen twee grote groepen: de zoogdieren met hun verwanten, en de reptielen. De vogels vallen binnen die tweede groep. Die volgen we hier, van steeds kleinere groep naar steeds kleinere groep, tot aan de dinosauriërs — want een vogel is een dinosauriër, geen verre neef ervan.
-
Reptielen, vogels inbegrepen Sauropsida
De reptielhelft van de dieren met eiervliezen, dus alles wat dichter bij een hagedis staat dan bij ons: schildpadden, krokodillen, slangen — en vogels.
-
Reptielen met twee slaapvensters Diapsida
Reptielen met twee openingen achter de oogkas aan elke kant van de schedel. Bij sommige leden van de groep, zoals schildpad en slang, staan die vensters in de volwassen schedel niet meer open.
Anatomisch kenmerk — Twee vensters voor de kaakspierenAchter de oogkas zit aan elke kant een paar vensters in het schedeldak, met botbalken ertussen. De kaakspieren kunnen bij het samentrekken door die openingen naar buiten puilen, zodat er dikkere spieren in passen dan het schedelvolume alleen toelaat. De balken tussen de vensters vangen de trekkracht op: een lichte schedel die hard bijt en die ver open kan.
-
Moderne reptielen Sauria
De kroongroep van de reptielen met twee slaapvensters: de kleinste groep die hagedis en krokodil beide omvat, en daarmee elk levend reptiel en elke vogel.
-
Heersersreptielverwanten Archosauromorpha
De groep die de heersersreptielen wel omvat maar de hagedisverwanten niet, met langnekkige rariteiten als Tanystropheus erbij.
-
Heersersreptielen Archosauria
De kleinste groep die krokodil en vogel beide omvat — de groep die het landleven al driehonderd miljoen jaar beheerst.
Anatomisch kenmerk — Een lichtere schedel en tanden in kassenVóór de oogkas zit nog een venster, en in de onderkaak ook: gaten die het bot licht houden zonder het te verzwakken en die ruimte laten aan spieren en luchtholten. De tanden staan diep in eigen kassen in het kaakbot in plaats van vastgegroeid aan de rand, en houden daardoor een worsteling met een tegenstribbelende prooi uit. Op het dijbeen zit een kam waar de grote staartspier op aangrijpt, en die spier trekt het been bij elke pas krachtig naar achteren.
-
Vogelvoetigen Avemetatarsalia
Alles wat dichter bij de vogel staat dan bij de krokodil, van de vroege Aphanosauria en de pterosauriërs tot de dinosauriërs zelf.
-
Vogelnekkigen Ornithodira
Pterosauriërs en dinosauriërs samen, herkenbaar aan een S-vormig gebogen hals, lange slanke onderpoten en een enkel die als een scharnier werkt.
-
Dinosauriërs Dinosauria
De kleinste groep die Triceratops en de huismus beide omvat — met de vogels er dus onlosmakelijk bij.
Anatomisch kenmerk — De poten recht onder het lichaamIn de heup is de kom waarin de dijbeenkop draait een open gat, en de kop van het dijbeen staat haaks naar binnen gebogen om er van opzij in te steken. Daardoor staat het been niet zijwaarts gespreid als bij een hagedis, maar recht onder de romp, zodat het gewicht door de botten omlaag loopt in plaats van door spierkracht te worden opgehouden. Lopen kost minder inspanning, de pas is langer, en een lichaam kan veel zwaarder zijn zonder in te zakken.
De vogels binnen de dinosauriërs
Elke groep hieronder valt binnen de vorige: binnen de dinosauriërs de tweebenige jagers, en binnen die jagers de vogels. Het bot is er hol en loopt vol lucht, uit de huid komen veren, en de hand klapt zijwaarts in — de beweging die bij een vogel de vleugelslag heet. Vrijwel alles wat een vogel nodig heeft, dragen de andere dieren in deze groepen ook; daar doet het alleen ander werk.
-
Hagedisbekkendinosauriërs Saurischia
De helft van de dinosauriërs waarbij het schaambeen naar voren wijst zoals bij een hagedis: de langnekkige planteneters, alle tweebenige jagers en dus ook alle vogels — al wijst datzelfde bot bij de vogels binnen deze groep juist naar achteren.
-
Beestpotigen Theropoda
De hagedisbekkigen die op drie tenen lopen en holle botten hebben, van Coelophysis en Tyrannosaurus tot de merel in de tuin; de naam betekent beestpoot, en al heten ze in het Nederlands de roofdinosauriërs, er zitten planteneters in en alle vogels.
Anatomisch kenmerk — Bot met luchtholten erinIn de wervels, en verderop ook in de ribben, het borstbeen en het opperarmbeen, zitten openingen waardoor uitstulpingen van de longen naar binnen reiken; merg is daar niet meer. Wat er staat is een dunwandige botkoker met luchtholten erin: even sterk als massief bot, maar zoveel lichter dat een groot dier op twee poten kan blijven staan. Die uitstulpingen zijn de luchtzakken, en zij maken van de long geen blaasbalg die in- en uitademt maar een buis waar de lucht in één richting doorheen trekt — de doorstroomademhaling waarmee een gans over de Himalaya vliegt.
-
Holstaartachtigen Coelurosauria
De slankere jagers met een opvallend grote hersenpan — tyrannosauriërs, struisvogeldinosauriërs, de gevederde Sinosauropteryx — genoemd naar Coelurus, wiens dunwandige, holle staartwervels Marsh in 1879 opvielen; wat de groep werkelijk kenmerkt zijn echter niet die wervels maar de veren.
Anatomisch kenmerk — Donsdraden van keratineUit de huid komen holle, buigzame draden van keratine, aan de voet vertakt en zo dicht opeen dat ze een vacht van dons vormen. Ze dragen niets en sturen niets: ze houden lichaamswarmte vast en ze geven kleur, en bij Sinosauropteryx zijn zelfs de pigmentkorrels van een roodbruin geringde staart teruggevonden. Enkelvoudige huiddraden zitten mogelijk ook bij ruimere groepen, tot bij de pterosauriërs toe, maar de dieren in deze groep dragen onmiskenbaar veren.
-
Handrovervormigen Maniraptoriformes
De struisvogeldinosauriërs en de handrovers samen: langbenige, langnekkige dieren met een kleine kop, waarvan verscheidene geen tanden hebben maar een hoornsnavel — hetzelfde kenmerk dat ook de vogels dragen, hier bij dieren ver buiten die groep.
-
Handrovers Maniraptora
Oviraptorosauriërs, therizinosauriërs, dromaeosauriërs, troödontiden en vogels: dieren met lange armen, een drievingerige hand en een vorkbeen, en met de greep waarnaar Gauthier hun opvallend lange voorpoten vernoemde.
Anatomisch kenmerk — Het halvemaanvormige polsbotjeIn de pols zitten twee handwortelbeentjes aaneen tot één halvemaanvormig botje met een glad, gebogen rolvlak aan de bovenkant. De hand kan daardoor nauwelijks op en neer buigen, maar wel razendsnel zijwaarts inklappen, naar het lichaam toe, en dat is precies de beweging waarmee een dier met gespreide armen een spartelende prooi tussen zijn handen vangt. Bij de vogel is datzelfde halvemaanbotje de pols die de vleugel opvouwt tegen het lijf, en het is diezelfde zijwaartse zwaai die bij elke slag de handvleugel naar voren gooit.
-
Penveerrovers Pennaraptora
Oviraptorosauriërs, dromaeosauriërs, troödontiden en vogels — de groep waarin de veer een stevige middenschacht met een gesloten vaan heeft, en waarin meer dan één soort met de armen over een legsel gevouwen op het nest is teruggevonden.
Anatomisch kenmerk — De penveer met gesloten vaanDe donsdraden zitten hier aan één stevige middenschacht, en de zijtakken haken met duizenden minuscule haakjes in elkaar tot een gesloten, veerkrachtig vlak. Zo'n penveer is stijf genoeg om lucht tegen te houden en licht genoeg om er tientallen naast elkaar te dragen; ze staan in een rij langs de achterrand van de arm en in een waaier aan weerszijden van de staart. Vliegen doen de dieren in deze groep er niet mee — de veren dienen voor vertoon, voor het afdekken van een legsel, misschien om grip te houden bij het rennen tegen een helling op — maar het draagvlak is er.
-
Bijnavogels Paraves
Dromaeosauriërs, troödontiden en vogels: de dieren in deze groep hebben een opklapbare tweede teen met een vergrote sikkelklauw, en verscheidene dragen lange slagpennen aan zowel de armen als de benen — bij Microraptor vormen die vier vleugels.
-
Vogelvleugeligen Avialae
Archaeopteryx, de langstaartige Jeholornis, de tandenrijke Ichthyornis en alle levende vogels: de groep waarin de arm een draagvlak is waarmee het dier zich in de lucht houdt.
Anatomisch kenmerk — De arm als draagvlakDe voorpoot is langer dan de achterpoot, wat bij de ruimere groepen hierboven nergens het geval is, en aan hand en onderarm zijn de veren asymmetrisch: een smalle vaan langs de voorrand, een brede erachter. Dat is precies de doorsnede die de lucht over het bovenvlak versnelt en er zo aan trekt, en tientallen van die slagpennen naast elkaar vormen samen één gesloten draagvlak. Daarmee kan het dier zweven en glijden, en doordat de armen ook krachtig kunnen neerslaan duwt het zichzelf vooruit: dezelfde grijparm doet hier dienst als vleugel.
-
Vogels Aves
Het einde van deze reeks en het begin van de volgende: de kroongroep van de vogels, de kleinste groep die struisvogel, tinamoe, fazant en condor alle vier omvat, met vleugel, staartwaaier en snavel compleet — elke levende vogel valt erbinnen.
Anatomisch kenmerk — Korte staart, hoornsnavel, kielDe benige staart is kort: een handvol wervels, aaneengegroeid tot één stuitbeen, waarop de staartveren als een waaier kunnen draaien, spreiden en sluiten in plaats van stijf achteraan te slepen. In de kaken zitten geen tanden; het bot eromheen draagt een bekleding van hoorn: een snavel weegt een fractie van een gebit, en vooraan in het lichaam telt elke gram dubbel. Het borstbeen heeft een hoge kam, de kiel, waarop de twee vliegspieren aanhechten die samen een vijfde van het gewicht van een vogel uitmaken — stuitbeen en kiel zitten ook al bij ruimere groepen in de stam, zodat alleen het gebrek aan tanden de dieren in deze groep apart zet.
De groepen binnen de vogels
Vanaf de vogels is het geen enkele reeks meer: de groepen liggen in en naast elkaar. De eerste drie hieronder vallen nog netjes binnen elkaar; wat daarna volgt zijn losse takken uit diezelfde boom, geen opeenvolgende schakels. De volgorde en de namen zijn die van Stiller et al. 2024, het B10K-project, dezelfde stamboom als de rest van deze site — waar een oudere indeling andere namen gebruikt, staat dat erbij.
-
Vogels Aves
De kroongroep van alle levende vogels: de kleinste groep die de struisvogel, de tinamoe, de fazant en de condor alle vier omvat. Struisvogel en huismus markeren daarbinnen de twee uiterste takken.
-
Loopvogels en tinamoes Palaeognathae
Struisvogels, nandoes, emoes, kasuarissen, kiwi's en tinamoes: de zustergroep van alle overige vogels, en de enige tak waarin het vliegvermogen bij verschillende groepen los van elkaar ontbreekt.
Anatomisch kenmerk — Een stug gehemelte, en bij de reuzen geen kielIn het verhemelte zijn de beenderen breed en grotendeels aan elkaar vastgegroeid, met een zwaar ploegschaarbeen dat de boel in het midden op zijn plaats houdt: de bovensnavel kan nauwelijks ten opzichte van de schedel bewegen. Bij de loopvogels komt daar iets ingrijpenders bij: het borstbeen draagt geen kiel en is een plat vlot — ratis, vlot, is precies waar het woord loopvogel in het Latijn vandaan komt. Zonder kiel is er niets om de vliegspieren aan vast te maken, en die ontbreken dan ook; het skelet hoeft niet licht te zijn, zodat de botten juist dikwandiger en zwaarder zijn, stevig genoeg om een struisvogel bij vijftig kilometer per uur te dragen.
-
Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae
Alle overige vogels, van kip tot huismus: hier zijn de verhemeltebeenderen los genoeg om te scharnieren, en alle Europese vogels op deze site horen erbij.
Anatomisch kenmerk — Het scharnierende verhemelteHet ploegschaarbeen is niet meer dan een dun spitsje en de beenderen van het verhemelte liggen los, verbonden door een reeks slanke staafjes en kleine gewrichtjes. Gaat de onderkaak open, dan duwt het quadratum die staafjes naar voren, het verhemelte schuift mee, en de bovensnavel kantelt omhoog om een dun scharnier bij het voorhoofd: de snavel gaat aan twee kanten tegelijk open. Kleine verschillen in de lengte en de hoek van diezelfde staafjes leveren een pincet, een beitel, een zeef of een notenkraker op, en daar berust een groot deel van de vormenrijkdom van de vogels op.
-
Eend- en hoendervogels Galloanserae
Eenden, ganzen en zwanen naast hoenders: de zustergroep van alle overige vogels met een beweeglijk verhemelte, met grote legsels en jongen die vrijwel meteen na het uitkomen zelf lopen en eten.
-
Alle overige moderne vogels Neoaves
Negentien van elke twintig vogelsoorten horen hier; de diepste vertakkingen binnen de groep liggen zo dicht opeen dat zelfs complete genomen ze nauwelijks uit elkaar houden.
-
Flamingo's en futen Mirandornithes
Flamingo's en futen lijken in niets op elkaar en zijn toch elkaars naaste verwanten; in de boom van Stiller et al. 2024 zijn zij de zustergroep van alle overige Neoaves. Wie Prum et al. 2015 kent, kent ze als deel van Aequorlitornithes, samen met steltlopers en watervogels — die groep komt hier niet terug.
Anatomisch kenmerk — De zeef die ondersteboven hangtDe flamingo laat zijn kop bij het eten omkeren, zodat de bovensnavel onderaan komt te liggen en de knik in de snavel horizontaal door het water snijdt. Langs de randen van beide kaken staan rijen dunne hoornplaatjes, de lamellen, die als de tanden van twee kammen in elkaar grijpen en een zeef vormen met mazen van tienden van millimeters. De tong, dik, vlezig en met stekels bezet, schuift meerdere keren per seconde als een zuiger heen en weer in de trog van de onderkaak en pompt zo water door die zeef naar binnen en er weer uit, terwijl pekelkreeftjes en kiezelwieren achterblijven.
-
Duiven en zandhoenders Columbimorphae
Duiven, zandhoenders en de Madagaskische stelthoenders: op deze site de kern van de tak Columbaves, en in Europa alleen door de duiven vertegenwoordigd.
Anatomisch kenmerk — Melk uit een kropIn de krop, de voorraadzak onder aan de slokdarm, gaat bij duiven in de laatste dagen voor het uitkomen de binnenwand woekeren en vervetten. De losgelaten cellen vormen een dikke, geelwitte brij die de jongen uit de keel van de ouder komen halen: kropmelk, met bijna een derde eiwit en bijna een derde vet, veel rijker dan zoogdiermelk en zonder een spoor van suiker. Beide ouders maken het aan, gestuurd door hetzelfde hormoon prolactine dat bij een zoogdier de melkklier aanzet, en de jonge duif eet de eerste week niets anders.
-
Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Nachtzwaluwen, de vetvogel, potoes, uilnachtzwaluwen, gierzwaluwen en kolibries in één tak: van trage schemerjagers met een enorme gapende bek tot de meest extreme vliegers die er zijn.
Anatomisch kenmerk — De kolibrievleugelBij de kolibrie zijn het opperarmbeen en de onderarm niet meer dan stompjes, terwijl de handbotten en vooral de slagpennen buitensporig lang zijn: bijna de hele vleugel is hand, en die hand blijft in de vlucht als één stijf blad gestrekt. Het schoudergewricht draait daarbij zover door dat de vleugel bij de opslag ondersteboven kan kantelen, zodat hij ook op de weg terug lucht naar beneden duwt in plaats van alleen maar terug te veren. Daardoor tekent de vleugeltip een liggende acht en levert elke halve slag draagkracht — de vogel hangt stil in de lucht, schuift zijwaarts weg en vliegt als enige vogelgroep werkelijk achteruit.
-
Water- en moerasvogels Aequornithes
Duikers, pinguïns, albatrossen en stormvogels, ooievaars, jan-van-genten, aalscholvers, pelikanen, reigers en ibissen: de vogels die hun voedsel werkelijk uit het water halen. Let op de naam: dit is niet het Aequorlitornithes van Prum et al. 2015, dat ook steltlopers, flamingo's en futen omvatte en dat Stiller et al. 2024 niet terugvindt — daar valt deze groep onder Elementaves en horen de steltlopers elders thuis.
Anatomisch kenmerk — Vliegen onder waterBij de pinguïn zijn de botten van arm en hand afgeplat tot latten en zijn elleboog en pols vrijwel niet meer te buigen: de vleugel is één stijve, massieve peddel die alleen nog in de schouder scharniert. Het bot is niet met lucht gevuld maar dicht en zwaar, zodat het dier niet naar de oppervlakte wordt geduwd maar zijn diepte kan houden. De veren zijn kort, stug en gebogen en liggen zo dicht opeen dat ze eerder op schubben lijken dan op veren; eronder zit een laag dons die de lucht vasthoudt waarin de vogel warm blijft — en dezelfde slag die een gierzwaluw door de lucht drijft, drijft een pinguïn op twintig meter diepte voort.
-
Landvogels Telluraves
Roofvogels, uilen, muisvogels, trogons, neushoornvogels, ijsvogels, spechten, valken, papegaaien en alle zangvogels — vrijwel alles wat in bomen leeft en met poot of snavel grijpt, en waarin een groot deel van de takken uit jagers bestaat. Prum et al. 2015 zette deze groep met de hoatzin samen onder de naam Inopinaves; bij Stiller et al. 2024 staat de hoatzin elders en verdwijnt die naam.
Anatomisch kenmerk — Twee tenen voor, twee tenen achterBij de spechten en bij de papegaaien wijst de vierde teen naar achteren, zodat de voet twee tenen naar voren en twee naar achteren richt: zygodactylie, een tangreep in plaats van de gewone drie-tegen-één. Een specht klemt zich daarmee aan een verticale stam vast en houdt zich, met de stijve staartpennen als derde steunpunt, zo stevig dat hij twintig keer per seconde met zijn kop tegen het hout kan slaan. Een papegaai gebruikt dezelfde tang om een noot van de tak te plukken en die naar de snavel te brengen, en is daarmee een van de weinige vogels die eten met de hand.
-
Zangvogels Passeriformes
Bijna zes van elke tien vogelsoorten zijn zangvogels: de laatste en veruit grootste tak van de landvogels, herkenbaar aan de voet met drie tenen naar voren en een lange, laag aangehechte achterteen die zich om een takje sluit zodra de poot buigt.
Anatomisch kenmerk — Een strottenhoofd met twee stemmenDe syrinx ligt niet boven in de keel maar diep in de borst, precies op de splitsing waar de luchtpijp in de twee bronchiën uiteengaat, en in elke bronchie zit een eigen trillend vlies. Bij de zangvogels wordt dat orgaan bespannen door een stelsel van kleine spieren — de tellingen lopen uiteen, maar een stuk of zeven paar is gebruikelijk — die elke helft afzonderlijk kunnen spannen en verstemmen. Links en rechts staan onder aparte aansturing, zodat één vogel twee tonen tegelijk kan voortbrengen, ze tegen elkaar in kan laten lopen of ademloos kan afwisselen: dat is wat een merel doet en een kip niet.
De keten volgt de gepubliceerde fylogenie; de definities zijn geschreven in de geest van de International Code of Phylogenetic Nomenclature (PhyloCode). Waar een naam nooit formeel is vastgelegd, staat dat erbij.