De vogel binnen het dierenrijk

Een vogel is geen ding op zichzelf. Hij is een dinosauriër, die een reptiel is, die een gewervelde is, die een chordadier is, die een dier is, die een eukaryoot is — elke groep zit in de vorige, als een reeks dozen. Deze bladzijde loopt die reeks af, van de cel met een kern tot de vogel op je erf, en houdt halt bij de bouwkenmerken waaraan je elke groep herkent.

Van eencellige tot viervoeter met eivliezen — de omvattende groepen

Een vogel valt binnen een reeks steeds ruimere groepen, die begint bij de eencelligen met een celkern. Elke groep hieronder valt binnen de vorige: dit is één keten van omvattende groepen, geen volledig overzicht van alle takken. Bij de knopen waar de bouw duidelijk verschilt van die van de ruimere groep staat het kenmerk apart beschreven, en wat het het dier oplevert.

  1. Eukaryoten Eukarya

    De cel met een kern en met mitochondriën als energiefabriek — de bouwsteen waaruit elk dier, elke plant en elke schimmel is opgetrokken.

    Eukarya
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens, Zea mays and Tetrahymena thermophila (the crown clade of organisms whose cells have a nucleus)
    Naam
    Chatton 1925 (als Eucaryotes); als domein Eucarya voorgesteld door Woese, Kandler & Wheelis 1990; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (de Queiroz, Cantino & Gauthier 2020)
  2. Vormlozen Amorphea

    De tak van eencelligen zonder vaste vorm, die kruipt op uitstulpingen van het eigen celvlies in plaats van te drijven achter een krans van zweepharen.

    Amorphea
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens and Amoeba proteus
    Naam
    Adl et al. 2012, als vervanging van de verworpen naam Unikonta; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  3. Zweepstaartverwanten Obazoa

    De drie takken — breviaten, apusomonaden en achterzweepstaartigen — die samen de naaste verwantschap van het dierenrijk vormen.

    Obazoa
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens, Breviata anathema and Apusomonas proboscidea (informeel)
    Naam
    Brown et al. 2013; de naam is een letterwoord van Opisthokonta, Breviatea en Apusomonadida; informeel
  4. Achterzweepstaartigen Opisthokonta

    Dieren en schimmels samen: cellen die zich voortduwen met één zweepstaart aan de achterkant, precies zoals een zaadcel dat doet.

    Opisthokonta
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens and Saccharomyces cerevisiae
    Naam
    Copeland 1956 gebruikte de naam voor chytriden; Cavalier-Smith 1987 gaf hem zijn huidige omvang; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  5. Diervormigen Holozoa

    De diertak binnen de achterzweepstaartigen: alle dieren plus de eencelligen die dichter bij ons staan dan bij een schimmel, zoals de kraagflagellaten.

    Holozoa
    Definitie
    the most inclusive clade containing Homo sapiens but not Neurospora crassa (informeel)
    Naam
    Lang, O'Kelly, Nerad, Gray & Burger 2002; informeel
  6. Dieren Metazoa

    Alle echte dieren, van spons tot vogel: veelcellige organismen die hun voedsel binnenhalen door het op te eten.

    Anatomisch kenmerk — Eén lichaam van samenwerkende cellen

    De dieren in deze groep bestaan uit veel cellen met een taakverdeling: de ene cel vangt voedsel, de andere hecht het lichaam vast, weer een andere levert de geslachtscellen. Tussen de cellen zit een eiwitlijm — collageen — en eromheen ligt een gezamenlijk buitenvlies, zodat het geheel zich als één lichaam gedraagt. Daardoor kan een lijf veel groter zijn dan een cel, en van binnen een heel andere vorm hebben dan van buiten.

    Metazoa
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Homo sapiens and the sponge Amphimedon queenslandica
    Naam
    Haeckel 1874; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  7. Weefseldieren Eumetazoa

    Dieren met echte weefsels, zenuwcellen en spiercellen — alles behalve de sponzen, al is nog onbeslist of de ribkwallen erbij horen of erbuiten vallen.

    Eumetazoa
    Definitie
    the most inclusive clade containing Homo sapiens but not the sponge Amphimedon queenslandica (informeel)
    Naam
    Bütschli 1910; informeel
  8. Tweezijdigen Bilateria

    Dieren met een voor- en een achterkant en met een linker- en een rechterhelft: de bouwvorm van vrijwel elk dier dat je ziet bewegen.

    Anatomisch kenmerk — Een kop, een staart en een darm met twee openingen

    Het lichaam heeft een lengteas met een voorkant die vooropgaat en een achterkant die volgt. In die voorkant liggen zintuigen en zenuwcellen opeengehoopt tot iets wat een hoofd mag heten, en het darmkanaal loopt door van mond naar anus, zodat eten en verteren tegelijk kunnen gebeuren. Tussen buitenlaag en darm ligt een derde kiemlaag, het mesoderm, en daaruit zijn spieren, skelet en bloedvaten opgebouwd.

    Bilateria
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens and Drosophila melanogaster
    Naam
    Hatschek 1888; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  9. Nieuwmondigen Deuterostomia

    De tak van de tweezijdigen waarbij de eerste opening van het embryo de anus wordt en de mond pas daarna doorbreekt; zeesterren en zee-egels zijn hierin onze verste neven.

    Deuterostomia
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens and Strongylocentrotus purpuratus (the purple sea urchin)
    Naam
    Grobben 1908; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  10. Chordadieren Chordata

    Dieren met een chorda, een holle zenuwstreng op de rug, kieuwspleten in de keel en een staart die voorbij de anus doorloopt.

    Anatomisch kenmerk — Een veerkrachtige staaf in de rug

    In de lengte van het lichaam ligt de chorda: een stevige maar buigzame staaf van vloeistofgevulde cellen in een stugge huls. Spieren die aan weerszijden aan die staaf trekken vouwen het lichaam niet zomaar dubbel, maar laten het als een zweep heen en weer golven, want de staaf veert telkens terug. Zwemmen is daardoor gericht en snel in plaats van kronkelend, en pal boven de staaf ligt de zenuwstreng die het ritme aanstuurt.

    Chordata
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens, Branchiostoma lanceolatum and Ciona intestinalis
    Naam
    Bateson 1885; Haeckel had de groep in 1874 al als Chordonia beschreven; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  11. Reukchordaten Olfactores

    Chordadieren met een echt reukorgaan: gewervelden en manteldieren samen, met het lancetvisje er net buiten.

    Olfactores
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens and Ciona intestinalis (informeel)
    Naam
    Jefferies 1991, oorspronkelijk binnen de inmiddels verworpen calcichordaten-hypothese; sinds 2006 door moleculair werk bevestigd; informeel
  12. Gewervelden Vertebrata

    Dieren waarbij een reeks wervels de plaats van de chorda inneemt en waarbij een schedel zich om de hersenen sluit.

    Anatomisch kenmerk — Een ruggengraat en een doos om de hersenen

    Rond de chorda liggen losse elementen van kraakbeen of bot die aaneengeschakeld een wervelkolom vormen: sterker dan de staaf alleen, en met beweeglijke gewrichten tussen de segmenten. Aan de voorkant sluit een schedel zich om de hersenen, en het embryo heeft een eigen soort weefsel, de neurale lijstcellen, dat kaken, tanden en gezichtsbeenderen levert. Het lichaam heeft daarmee een inwendig frame dat meegroeit, in plaats van een pantser dat telkens vervangen moet worden.

    Vertebrata
    Definitie
    the least inclusive clade containing Homo sapiens and Petromyzon marinus (the sea lamprey)
    Naam
    Lamarck 1801; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  13. Kaakdragers Gnathostomata

    Gewervelden met kaken; hoe ruim de naam is hangt af van de auteur, want wie hem tot de kroongroep beperkt laat de uitgestorven pantservissen erbuiten en maakt hem gelijk aan Eugnathostomata.

    Anatomisch kenmerk — Scharnierende kaken in de voorste kieuwbogen

    De voorste kieuwbogen — kraakbenige beugels in het keelkorfje — staan hier niet rechtop maar naar voren gekanteld, en vormen scharnierende kaken. Een bovenkaak en een onderkaak sluiten op elkaar, met tanden erop van hetzelfde weefsel als de huidschubben. Een dier dat kan bijten hoeft niet af te wachten wat er langs komt drijven: het grijpt een prooi, houdt die vast en snijdt haar in stukken, en daardoor is jagen een manier van leven.

    Gnathostomata
    Definitie
    the most inclusive clade containing Homo sapiens but not Petromyzon marinus — that is, jawed vertebrates including the extinct placoderms; authors who instead take the name for the crown clade make it identical to Eugnathostomata
    Naam
    Gegenbaur 1874; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020), waar de naam als kroongroep wordt opgevat
  14. Echte kaakdragers Eugnathostomata

    De kroongroep van de kaakdragers: haaien en roggen aan de ene kant, alles met een beenskelet aan de andere — maar over waar de uitgestorven pantservissen precies vallen, en dus hoe ver de naam reikt, verschillen de auteurs van mening.

    Eugnathostomata
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Squalus acanthias and Homo sapiens (informeel)
    Naam
    in gebruik in de literatuur over vroege kaakdragers sinds omstreeks 2000; nooit onder de PhyloCode vastgelegd; informeel
  15. Beenskeletdieren Euteleostomi

    Gewervelden met een echt beenskelet, straalvinnigen zowel als kwastvinnigen; de een gebruikt de naam als exact synoniem van Osteichthyes en de ander voor een iets engere kroongroep, dus let op wie hem schrijft.

    Euteleostomi
    Definitie
    the least inclusive clade containing Danio rerio and Homo sapiens — in practice the crown clade of bony vertebrates, which most authors call Osteichthyes (informeel)
    Naam
    in gebruik sinds de jaren negentig als kroongroepnaam naast Osteichthyes; alleen Osteichthyes is in Phylonyms (2020) vastgelegd; informeel
  16. Kwastvinnigen Sarcopterygii

    Vissen bij wie elke gepaarde vin aan een vlezige, beschubde steel met inwendige botten aan het lichaam zit — coelacant, longvis en alles wat op het land loopt.

    Sarcopterygii
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Latimeria chalumnae, Neoceratodus forsteri and Homo sapiens
    Naam
    Romer 1955; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)
  17. Longkwastvinnigen Rhipidistia

    De kleinste groep die de longvis en de vogel beide omvat: de kwastvinnigen met longen, met de coelacant er net buiten.

    Rhipidistia
    Definitie
    the least inclusive clade containing Neoceratodus forsteri (the Australian lungfish) and Homo sapiens (informeel)
    Naam
    Cope 1887, oorspronkelijk voor een heel andere, inmiddels verworpen groep; informeel
  18. Viervoetvormigen Tetrapodomorpha

    Kwastvinnigen die dichter bij ons staan dan bij de longvis, van Eusthenopteron en Tiktaalik tot elke vogel van vandaag.

    Anatomisch kenmerk — Een vin met de botten van een arm

    In de vlezige borstvin liggen de botten in een vaste volgorde: één bot tegen de schouder aan, daarachter twee naast elkaar, en pas daarna de waaier van vinstralen. Dat ene bot is het opperarmbeen, de twee daarachter zijn spaakbeen en ellepijp — bij een vogel de vleugel, bij de mens de arm. De kop van het opperarmbeen is bovendien bol en draait in een kom van de schoudergordel, zodat de vin kan steunen en duwen in plaats van alleen te roeien.

    Tetrapodomorpha
    Definitie
    the most inclusive clade containing Homo sapiens but not Neoceratodus forsteri (informeel)
    Naam
    Ahlberg 1991; informeel
  19. Viervoeters Tetrapoda

    Gewervelden met vier ledematen die eindigen in vingers en tenen, ook in de groepen waar die ledematen ontbreken, zoals bij de slang.

    Anatomisch kenmerk — Vingers, een nek en ribben die gewicht dragen

    Aan het uiteinde van de poot zit geen waaier van vinstralen maar een reeks losse kootjes met gewrichten ertussen, waarmee het dier zich kan afzetten tegen de bodem. De schoudergordel raakt de schedel niet, zodat er een nek is en de kop kan draaien zonder dat het hele lijf meedraait. De ribben zijn zwaar en houden de borstkas open, want buiten het water drukt een lichaam op zijn eigen longen.

    Tetrapoda
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Homo sapiens and Salamandra salamandra; many palaeontologists instead apply the name to all vertebrates with digited limbs, which also takes in Acanthostega and Ichthyostega
    Naam
    Hatschek & Cori 1896; als kroongroep vastgelegd door Laurin in Phylonyms (2020)
  20. Dieren met eiervliezen Amniota

    Viervoeters die zich voortplanten met een ei waarin het embryo zijn eigen waterbad meedraagt — zoogdieren aan de ene kant, reptielen en vogels aan de andere.

    Anatomisch kenmerk — Het ei dat zijn eigen vijver meeneemt

    Om het embryo liggen drie vliezen: het amnion met de vloeistof waarin het drijft, het allantois dat afval opslaat en de ademhaling verzorgt, en het chorion dat het geheel omsluit. Daaromheen zit een leerachtige of kalkige schaal die water binnenhoudt maar zuurstof doorlaat. De voortplanting is daardoor niet aan poel of plas gebonden, en ook het droge binnenland — duinen, steppen, hooggebergte — ligt binnen bereik.

    Amniota
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Homo sapiens and Lacerta agilis
    Naam
    Haeckel 1866; fylogenetisch gedefinieerd door Gauthier, Kluge & Rowe 1988 en vastgelegd in Phylonyms (2020)

Van reptiel tot dinosauriër: groepen binnen groepen

Binnen de dieren met eiervliezen vallen twee grote groepen: de zoogdieren met hun verwanten, en de reptielen. De vogels vallen binnen die tweede groep. Die volgen we hier, van steeds kleinere groep naar steeds kleinere groep, tot aan de dinosauriërs — want een vogel is een dinosauriër, geen verre neef ervan.

  1. Reptielen, vogels inbegrepen Sauropsida

    De reptielhelft van de dieren met eiervliezen, dus alles wat dichter bij een hagedis staat dan bij ons: schildpadden, krokodillen, slangen — en vogels.

    Sauropsida
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Homo sapiens (informeel; in Phylonyms it is not Sauropsida but Reptilia that is established, for the crown clade)
    Naam
    Huxley 1864; informeel — in Phylonyms (2020) is niet Sauropsida maar Reptilia als kroongroep vastgelegd
  2. Reptielen met twee slaapvensters Diapsida

    Reptielen met twee openingen achter de oogkas aan elke kant van de schedel. Bij sommige leden van de groep, zoals schildpad en slang, staan die vensters in de volwassen schedel niet meer open.

    Anatomisch kenmerk — Twee vensters voor de kaakspieren

    Achter de oogkas zit aan elke kant een paar vensters in het schedeldak, met botbalken ertussen. De kaakspieren kunnen bij het samentrekken door die openingen naar buiten puilen, zodat er dikkere spieren in passen dan het schedelvolume alleen toelaat. De balken tussen de vensters vangen de trekkracht op: een lichte schedel die hard bijt en die ver open kan.

    Diapsida
    Definitie
    the least inclusive clade containing Araeoscelis gracilis, Lacerta agilis and Passer domesticus
    Naam
    Osborn 1903; fylogenetisch gedefinieerd door Laurin 1991 en vastgelegd in Phylonyms (2020)
  3. Moderne reptielen Sauria

    De kroongroep van de reptielen met twee slaapvensters: de kleinste groep die hagedis en krokodil beide omvat, en daarmee elk levend reptiel en elke vogel.

    Sauria
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Lacerta agilis and Crocodylus niloticus
    Naam
    Macartney 1802; door Gauthier in de jaren tachtig omgezet in de kroongroep van de diapsiden; vastgelegd in Phylonyms (2020)
  4. Heersersreptielverwanten Archosauromorpha

    De groep die de heersersreptielen wel omvat maar de hagedisverwanten niet, met langnekkige rariteiten als Tanystropheus erbij.

    Archosauromorpha
    Definitie
    the most inclusive clade containing Protorosaurus speneri but not Lacerta agilis
    Naam
    von Huene 1946, nauwelijks gebruikt tot Gauthier de naam in de jaren tachtig oppakte; fylogenetisch gedefinieerd door Dilkes 1998 en vastgelegd in Phylonyms (2020)
  5. Heersersreptielen Archosauria

    De kleinste groep die krokodil en vogel beide omvat — de groep die het landleven al driehonderd miljoen jaar beheerst.

    Anatomisch kenmerk — Een lichtere schedel en tanden in kassen

    Vóór de oogkas zit nog een venster, en in de onderkaak ook: gaten die het bot licht houden zonder het te verzwakken en die ruimte laten aan spieren en luchtholten. De tanden staan diep in eigen kassen in het kaakbot in plaats van vastgegroeid aan de rand, en houden daardoor een worsteling met een tegenstribbelende prooi uit. Op het dijbeen zit een kam waar de grote staartspier op aangrijpt, en die spier trekt het been bij elke pas krachtig naar achteren.

    Archosauria
    Definitie
    crown clade: the least inclusive clade containing Crocodylus niloticus and Passer domesticus
    Naam
    Cope 1869; als kroongroep gedefinieerd door Gauthier 1986 en vastgelegd in Phylonyms (2020)
  6. Vogelvoetigen Avemetatarsalia

    Alles wat dichter bij de vogel staat dan bij de krokodil, van de vroege Aphanosauria en de pterosauriërs tot de dinosauriërs zelf.

    Avemetatarsalia
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Crocodylus niloticus (informeel)
    Naam
    Benton 1999; informeel
  7. Vogelnekkigen Ornithodira

    Pterosauriërs en dinosauriërs samen, herkenbaar aan een S-vormig gebogen hals, lange slanke onderpoten en een enkel die als een scharnier werkt.

    Ornithodira
    Definitie
    the least inclusive clade containing Pterodactylus antiquus and Passer domesticus (informeel)
    Naam
    Gauthier 1986; informeel — sinds de Aphanosauria in 2017 buiten deze groep maar binnen Avemetatarsalia bleken te vallen, zijn de twee namen niet langer inwisselbaar
  8. Dinosauriërs Dinosauria

    De kleinste groep die Triceratops en de huismus beide omvat — met de vogels er dus onlosmakelijk bij.

    Anatomisch kenmerk — De poten recht onder het lichaam

    In de heup is de kom waarin de dijbeenkop draait een open gat, en de kop van het dijbeen staat haaks naar binnen gebogen om er van opzij in te steken. Daardoor staat het been niet zijwaarts gespreid als bij een hagedis, maar recht onder de romp, zodat het gewicht door de botten omlaag loopt in plaats van door spierkracht te worden opgehouden. Lopen kost minder inspanning, de pas is langer, en een lichaam kan veel zwaarder zijn zonder in te zakken.

    Dinosauria
    Definitie
    the least inclusive clade containing Triceratops horridus and Passer domesticus
    Naam
    Owen 1842; fylogenetisch vastgelegd in Phylonyms (2020)

De vogels binnen de dinosauriërs

Elke groep hieronder valt binnen de vorige: binnen de dinosauriërs de tweebenige jagers, en binnen die jagers de vogels. Het bot is er hol en loopt vol lucht, uit de huid komen veren, en de hand klapt zijwaarts in — de beweging die bij een vogel de vleugelslag heet. Vrijwel alles wat een vogel nodig heeft, dragen de andere dieren in deze groepen ook; daar doet het alleen ander werk.

  1. Hagedisbekkendinosauriërs Saurischia

    De helft van de dinosauriërs waarbij het schaambeen naar voren wijst zoals bij een hagedis: de langnekkige planteneters, alle tweebenige jagers en dus ook alle vogels — al wijst datzelfde bot bij de vogels binnen deze groep juist naar achteren.

    Saurischia
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Triceratops horridus
    Naam
    Seeley 1887 (het artikel verschijnt in de jaargang die vaak als 1888 wordt geciteerd); fylogenetisch gedefinieerd door Gauthier 1986 en vastgelegd in Phylonyms (2020)
  2. Beestpotigen Theropoda

    De hagedisbekkigen die op drie tenen lopen en holle botten hebben, van Coelophysis en Tyrannosaurus tot de merel in de tuin; de naam betekent beestpoot, en al heten ze in het Nederlands de roofdinosauriërs, er zitten planteneters in en alle vogels.

    Anatomisch kenmerk — Bot met luchtholten erin

    In de wervels, en verderop ook in de ribben, het borstbeen en het opperarmbeen, zitten openingen waardoor uitstulpingen van de longen naar binnen reiken; merg is daar niet meer. Wat er staat is een dunwandige botkoker met luchtholten erin: even sterk als massief bot, maar zoveel lichter dat een groot dier op twee poten kan blijven staan. Die uitstulpingen zijn de luchtzakken, en zij maken van de long geen blaasbalg die in- en uitademt maar een buis waar de lucht in één richting doorheen trekt — de doorstroomademhaling waarmee een gans over de Himalaya vliegt.

    Theropoda
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Diplodocus carnegii
    Naam
    Marsh 1881; fylogenetisch gedefinieerd door Gauthier 1986 en vastgelegd in Phylonyms (2020)
  3. Holstaartachtigen Coelurosauria

    De slankere jagers met een opvallend grote hersenpan — tyrannosauriërs, struisvogeldinosauriërs, de gevederde Sinosauropteryx — genoemd naar Coelurus, wiens dunwandige, holle staartwervels Marsh in 1879 opvielen; wat de groep werkelijk kenmerkt zijn echter niet die wervels maar de veren.

    Anatomisch kenmerk — Donsdraden van keratine

    Uit de huid komen holle, buigzame draden van keratine, aan de voet vertakt en zo dicht opeen dat ze een vacht van dons vormen. Ze dragen niets en sturen niets: ze houden lichaamswarmte vast en ze geven kleur, en bij Sinosauropteryx zijn zelfs de pigmentkorrels van een roodbruin geringde staart teruggevonden. Enkelvoudige huiddraden zitten mogelijk ook bij ruimere groepen, tot bij de pterosauriërs toe, maar de dieren in deze groep dragen onmiskenbaar veren.

    Coelurosauria
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Allosaurus fragilis (informeel)
    Naam
    von Huene 1914, genoemd naar het geslacht Coelurus; fylogenetisch gedefinieerd door Holtz, Molnar & Currie 2004; nooit onder de PhyloCode vastgelegd; informeel
  4. Handrovervormigen Maniraptoriformes

    De struisvogeldinosauriërs en de handrovers samen: langbenige, langnekkige dieren met een kleine kop, waarvan verscheidene geen tanden hebben maar een hoornsnavel — hetzelfde kenmerk dat ook de vogels dragen, hier bij dieren ver buiten die groep.

    Maniraptoriformes
    Definitie
    the least inclusive clade containing Ornithomimus velox and Passer domesticus (informeel)
    Naam
    Holtz 1996; nooit onder de PhyloCode vastgelegd; informeel
  5. Handrovers Maniraptora

    Oviraptorosauriërs, therizinosauriërs, dromaeosauriërs, troödontiden en vogels: dieren met lange armen, een drievingerige hand en een vorkbeen, en met de greep waarnaar Gauthier hun opvallend lange voorpoten vernoemde.

    Anatomisch kenmerk — Het halvemaanvormige polsbotje

    In de pols zitten twee handwortelbeentjes aaneen tot één halvemaanvormig botje met een glad, gebogen rolvlak aan de bovenkant. De hand kan daardoor nauwelijks op en neer buigen, maar wel razendsnel zijwaarts inklappen, naar het lichaam toe, en dat is precies de beweging waarmee een dier met gespreide armen een spartelende prooi tussen zijn handen vangt. Bij de vogel is datzelfde halvemaanbotje de pols die de vleugel opvouwt tegen het lijf, en het is diezelfde zijwaartse zwaai die bij elke slag de handvleugel naar voren gooit.

    Maniraptora
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Ornithomimus velox (informeel)
    Naam
    Gauthier 1986; nooit onder de PhyloCode vastgelegd; informeel
  6. Penveerrovers Pennaraptora

    Oviraptorosauriërs, dromaeosauriërs, troödontiden en vogels — de groep waarin de veer een stevige middenschacht met een gesloten vaan heeft, en waarin meer dan één soort met de armen over een legsel gevouwen op het nest is teruggevonden.

    Anatomisch kenmerk — De penveer met gesloten vaan

    De donsdraden zitten hier aan één stevige middenschacht, en de zijtakken haken met duizenden minuscule haakjes in elkaar tot een gesloten, veerkrachtig vlak. Zo'n penveer is stijf genoeg om lucht tegen te houden en licht genoeg om er tientallen naast elkaar te dragen; ze staan in een rij langs de achterrand van de arm en in een waaier aan weerszijden van de staart. Vliegen doen de dieren in deze groep er niet mee — de veren dienen voor vertoon, voor het afdekken van een legsel, misschien om grip te houden bij het rennen tegen een helling op — maar het draagvlak is er.

    Pennaraptora
    Definitie
    the least inclusive clade containing Oviraptor philoceratops, Deinonychus antirrhopus and Passer domesticus (informeel)
    Naam
    Foth, Tischlinger & Rauhut 2014; nooit onder de PhyloCode vastgelegd; informeel
  7. Bijnavogels Paraves

    Dromaeosauriërs, troödontiden en vogels: de dieren in deze groep hebben een opklapbare tweede teen met een vergrote sikkelklauw, en verscheidene dragen lange slagpennen aan zowel de armen als de benen — bij Microraptor vormen die vier vleugels.

    Paraves
    Definitie
    the most inclusive clade containing Passer domesticus but not Oviraptor philoceratops (informeel)
    Naam
    Sereno 1997, fylogenetisch gedefinieerd door Sereno 1998; nooit onder de PhyloCode vastgelegd; informeel
  8. Vogelvleugeligen Avialae

    Archaeopteryx, de langstaartige Jeholornis, de tandenrijke Ichthyornis en alle levende vogels: de groep waarin de arm een draagvlak is waarmee het dier zich in de lucht houdt.

    Anatomisch kenmerk — De arm als draagvlak

    De voorpoot is langer dan de achterpoot, wat bij de ruimere groepen hierboven nergens het geval is, en aan hand en onderarm zijn de veren asymmetrisch: een smalle vaan langs de voorrand, een brede erachter. Dat is precies de doorsnede die de lucht over het bovenvlak versnelt en er zo aan trekt, en tientallen van die slagpennen naast elkaar vormen samen één gesloten draagvlak. Daarmee kan het dier zweven en glijden, en doordat de armen ook krachtig kunnen neerslaan duwt het zichzelf vooruit: dezelfde grijparm doet hier dienst als vleugel.

    Avialae
    Definitie
    the largest clade containing Vultur gryphus but not Dromaeosaurus albertensis and Saurornithoides mongoliensis
    Naam
    Gauthier 1986; onder de PhyloCode vastgelegd door Benito et al. 2022 (registratienummer 552)
  9. Vogels Aves

    Het einde van deze reeks en het begin van de volgende: de kroongroep van de vogels, de kleinste groep die struisvogel, tinamoe, fazant en condor alle vier omvat, met vleugel, staartwaaier en snavel compleet — elke levende vogel valt erbinnen.

    Anatomisch kenmerk — Korte staart, hoornsnavel, kiel

    De benige staart is kort: een handvol wervels, aaneengegroeid tot één stuitbeen, waarop de staartveren als een waaier kunnen draaien, spreiden en sluiten in plaats van stijf achteraan te slepen. In de kaken zitten geen tanden; het bot eromheen draagt een bekleding van hoorn: een snavel weegt een fractie van een gebit, en vooraan in het lichaam telt elke gram dubbel. Het borstbeen heeft een hoge kam, de kiel, waarop de twee vliegspieren aanhechten die samen een vijfde van het gewicht van een vogel uitmaken — stuitbeen en kiel zitten ook al bij ruimere groepen in de stam, zodat alleen het gebrek aan tanden de dieren in deze groep apart zet.

    Aves
    Definitie
    crown clade: the smallest crown clade containing Struthio camelus, Tinamus major, Phasianus colchicus and Vultur gryphus
    Naam
    Linnaeus 1758; als kroongroep voorgesteld door Gauthier 1986 en formeel vastgelegd in Phylonyms (Clarke, Mindell, de Queiroz, Hanson, Norell & Gauthier 2020)

De groepen binnen de vogels

Vanaf de vogels is het geen enkele reeks meer: de groepen liggen in en naast elkaar. De eerste drie hieronder vallen nog netjes binnen elkaar; wat daarna volgt zijn losse takken uit diezelfde boom, geen opeenvolgende schakels. De volgorde en de namen zijn die van Stiller et al. 2024, het B10K-project, dezelfde stamboom als de rest van deze site — waar een oudere indeling andere namen gebruikt, staat dat erbij.

  1. Vogels Aves

    De kroongroep van alle levende vogels: de kleinste groep die de struisvogel, de tinamoe, de fazant en de condor alle vier omvat. Struisvogel en huismus markeren daarbinnen de twee uiterste takken.

    Aves
    Definitie
    crown clade: the smallest crown clade containing Struthio camelus, Tinamus major, Phasianus colchicus and Vultur gryphus
    Naam
    Linnaeus 1758; als kroongroep voorgesteld door Gauthier 1986 en formeel vastgelegd in Phylonyms (Clarke, Mindell, de Queiroz, Hanson, Norell & Gauthier 2020)
  2. Loopvogels en tinamoes Palaeognathae

    Struisvogels, nandoes, emoes, kasuarissen, kiwi's en tinamoes: de zustergroep van alle overige vogels, en de enige tak waarin het vliegvermogen bij verschillende groepen los van elkaar ontbreekt.

    Anatomisch kenmerk — Een stug gehemelte, en bij de reuzen geen kiel

    In het verhemelte zijn de beenderen breed en grotendeels aan elkaar vastgegroeid, met een zwaar ploegschaarbeen dat de boel in het midden op zijn plaats houdt: de bovensnavel kan nauwelijks ten opzichte van de schedel bewegen. Bij de loopvogels komt daar iets ingrijpenders bij: het borstbeen draagt geen kiel en is een plat vlot — ratis, vlot, is precies waar het woord loopvogel in het Latijn vandaan komt. Zonder kiel is er niets om de vliegspieren aan vast te maken, en die ontbreken dan ook; het skelet hoeft niet licht te zijn, zodat de botten juist dikwandiger en zwaarder zijn, stevig genoeg om een struisvogel bij vijftig kilometer per uur te dragen.

    Palaeognathae
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Tinamus major and Struthio camelus
    Naam
    Pycraft 1900; fylogenetisch gedefinieerd door Sangster et al. 2022
  3. Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae

    Alle overige vogels, van kip tot huismus: hier zijn de verhemeltebeenderen los genoeg om te scharnieren, en alle Europese vogels op deze site horen erbij.

    Anatomisch kenmerk — Het scharnierende verhemelte

    Het ploegschaarbeen is niet meer dan een dun spitsje en de beenderen van het verhemelte liggen los, verbonden door een reeks slanke staafjes en kleine gewrichtjes. Gaat de onderkaak open, dan duwt het quadratum die staafjes naar voren, het verhemelte schuift mee, en de bovensnavel kantelt omhoog om een dun scharnier bij het voorhoofd: de snavel gaat aan twee kanten tegelijk open. Kleine verschillen in de lengte en de hoek van diezelfde staafjes leveren een pincet, een beitel, een zeef of een notenkraker op, en daar berust een groot deel van de vormenrijkdom van de vogels op.

    Neognathae
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Gallus gallus and Passer domesticus
    Naam
    Pycraft 1900; fylogenetisch gedefinieerd door Sangster et al. 2022
  4. Eend- en hoendervogels Galloanserae

    Eenden, ganzen en zwanen naast hoenders: de zustergroep van alle overige vogels met een beweeglijk verhemelte, met grote legsels en jongen die vrijwel meteen na het uitkomen zelf lopen en eten.

    Galloanserae
    Definitie
    the least inclusive clade containing Gallus gallus and Anas platyrhynchos (informeel; niet formeel onder de PhyloCode vastgelegd)
    Naam
    Sibley, Ahlquist & Monroe 1988, oorspronkelijk als Galloanseri
  5. Alle overige moderne vogels Neoaves

    Negentien van elke twintig vogelsoorten horen hier; de diepste vertakkingen binnen de groep liggen zo dicht opeen dat zelfs complete genomen ze nauwelijks uit elkaar houden.

    Neoaves
    Definitie
    the most inclusive crown clade containing Passer domesticus but not Gallus gallus
    Naam
    Sibley, Ahlquist & Monroe 1988; fylogenetisch gedefinieerd door Sangster et al. 2022
  6. Flamingo's en futen Mirandornithes

    Flamingo's en futen lijken in niets op elkaar en zijn toch elkaars naaste verwanten; in de boom van Stiller et al. 2024 zijn zij de zustergroep van alle overige Neoaves. Wie Prum et al. 2015 kent, kent ze als deel van Aequorlitornithes, samen met steltlopers en watervogels — die groep komt hier niet terug.

    Anatomisch kenmerk — De zeef die ondersteboven hangt

    De flamingo laat zijn kop bij het eten omkeren, zodat de bovensnavel onderaan komt te liggen en de knik in de snavel horizontaal door het water snijdt. Langs de randen van beide kaken staan rijen dunne hoornplaatjes, de lamellen, die als de tanden van twee kammen in elkaar grijpen en een zeef vormen met mazen van tienden van millimeters. De tong, dik, vlezig en met stekels bezet, schuift meerdere keren per seconde als een zuiger heen en weer in de trog van de onderkaak en pompt zo water door die zeef naar binnen en er weer uit, terwijl pekelkreeftjes en kiezelwieren achterblijven.

    Mirandornithes
    Definitie
    the least inclusive clade containing Phoenicopterus roseus and Podiceps cristatus (informeel; niet formeel onder de PhyloCode vastgelegd)
    Naam
    Sangster 2005 (Ibis 147: 612-615)
  7. Duiven en zandhoenders Columbimorphae

    Duiven, zandhoenders en de Madagaskische stelthoenders: op deze site de kern van de tak Columbaves, en in Europa alleen door de duiven vertegenwoordigd.

    Anatomisch kenmerk — Melk uit een krop

    In de krop, de voorraadzak onder aan de slokdarm, gaat bij duiven in de laatste dagen voor het uitkomen de binnenwand woekeren en vervetten. De losgelaten cellen vormen een dikke, geelwitte brij die de jongen uit de keel van de ouder komen halen: kropmelk, met bijna een derde eiwit en bijna een derde vet, veel rijker dan zoogdiermelk en zonder een spoor van suiker. Beide ouders maken het aan, gestuurd door hetzelfde hormoon prolactine dat bij een zoogdier de melkklier aanzet, en de jonge duif eet de eerste week niets anders.

    Columbimorphae
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Columba oenas, Mesitornis variegatus and Pterocles alchata
    Naam
    Cracraft 2013; fylogenetisch gedefinieerd door Sangster et al. 2022
  8. Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

    Nachtzwaluwen, de vetvogel, potoes, uilnachtzwaluwen, gierzwaluwen en kolibries in één tak: van trage schemerjagers met een enorme gapende bek tot de meest extreme vliegers die er zijn.

    Anatomisch kenmerk — De kolibrievleugel

    Bij de kolibrie zijn het opperarmbeen en de onderarm niet meer dan stompjes, terwijl de handbotten en vooral de slagpennen buitensporig lang zijn: bijna de hele vleugel is hand, en die hand blijft in de vlucht als één stijf blad gestrekt. Het schoudergewricht draait daarbij zover door dat de vleugel bij de opslag ondersteboven kan kantelen, zodat hij ook op de weg terug lucht naar beneden duwt in plaats van alleen maar terug te veren. Daardoor tekent de vleugeltip een liggende acht en levert elke halve slag draagkracht — de vogel hangt stil in de lucht, schuift zijwaarts weg en vliegt als enige vogelgroep werkelijk achteruit.

    Strisores
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Caprimulgus europaeus and Apus apus (zoals gehanteerd door Chen & Field 2020, die de namen binnen deze tak onder de PhyloCode vastlegden)
    Naam
    Cabanis 1847; opnieuw in gebruik genomen door Mayr 2010, definities door Chen & Field 2020
  9. Water- en moerasvogels Aequornithes

    Duikers, pinguïns, albatrossen en stormvogels, ooievaars, jan-van-genten, aalscholvers, pelikanen, reigers en ibissen: de vogels die hun voedsel werkelijk uit het water halen. Let op de naam: dit is niet het Aequorlitornithes van Prum et al. 2015, dat ook steltlopers, flamingo's en futen omvatte en dat Stiller et al. 2024 niet terugvindt — daar valt deze groep onder Elementaves en horen de steltlopers elders thuis.

    Anatomisch kenmerk — Vliegen onder water

    Bij de pinguïn zijn de botten van arm en hand afgeplat tot latten en zijn elleboog en pols vrijwel niet meer te buigen: de vleugel is één stijve, massieve peddel die alleen nog in de schouder scharniert. Het bot is niet met lucht gevuld maar dicht en zwaar, zodat het dier niet naar de oppervlakte wordt geduwd maar zijn diepte kan houden. De veren zijn kort, stug en gebogen en liggen zo dicht opeen dat ze eerder op schubben lijken dan op veren; eronder zit een laag dons die de lucht vasthoudt waarin de vogel warm blijft — en dezelfde slag die een gierzwaluw door de lucht drijft, drijft een pinguïn op twintig meter diepte voort.

    Aequornithes
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Pelecanus onocrotalus and Gavia immer
    Naam
    Mayr 2011; fylogenetisch gedefinieerd door Sangster & Mayr 2021
  10. Landvogels Telluraves

    Roofvogels, uilen, muisvogels, trogons, neushoornvogels, ijsvogels, spechten, valken, papegaaien en alle zangvogels — vrijwel alles wat in bomen leeft en met poot of snavel grijpt, en waarin een groot deel van de takken uit jagers bestaat. Prum et al. 2015 zette deze groep met de hoatzin samen onder de naam Inopinaves; bij Stiller et al. 2024 staat de hoatzin elders en verdwijnt die naam.

    Anatomisch kenmerk — Twee tenen voor, twee tenen achter

    Bij de spechten en bij de papegaaien wijst de vierde teen naar achteren, zodat de voet twee tenen naar voren en twee naar achteren richt: zygodactylie, een tangreep in plaats van de gewone drie-tegen-één. Een specht klemt zich daarmee aan een verticale stam vast en houdt zich, met de stijve staartpennen als derde steunpunt, zo stevig dat hij twintig keer per seconde met zijn kop tegen het hout kan slaan. Een papegaai gebruikt dezelfde tang om een noot van de tak te plukken en die naar de snavel te brengen, en is daarmee een van de weinige vogels die eten met de hand.

    Telluraves
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Accipiter nisus and Passer domesticus
    Naam
    Yuri et al. 2013; fylogenetisch gedefinieerd door Sangster et al. 2022
  11. Zangvogels Passeriformes

    Bijna zes van elke tien vogelsoorten zijn zangvogels: de laatste en veruit grootste tak van de landvogels, herkenbaar aan de voet met drie tenen naar voren en een lange, laag aangehechte achterteen die zich om een takje sluit zodra de poot buigt.

    Anatomisch kenmerk — Een strottenhoofd met twee stemmen

    De syrinx ligt niet boven in de keel maar diep in de borst, precies op de splitsing waar de luchtpijp in de twee bronchiën uiteengaat, en in elke bronchie zit een eigen trillend vlies. Bij de zangvogels wordt dat orgaan bespannen door een stelsel van kleine spieren — de tellingen lopen uiteen, maar een stuk of zeven paar is gebruikelijk — die elke helft afzonderlijk kunnen spannen en verstemmen. Links en rechts staan onder aparte aansturing, zodat één vogel twee tonen tegelijk kan voortbrengen, ze tegen elkaar in kan laten lopen of ademloos kan afwisselen: dat is wat een merel doet en een kip niet.

    Passeriformes
    Definitie
    the least inclusive crown clade containing Acanthisitta chloris and Passer domesticus (informeel; niet formeel onder de PhyloCode vastgelegd)
    Naam
    Linnaeus 1758 als Passeres; de huidige omvang van de orde gaat terug op Wetmore 1930; informeel

De keten volgt de gepubliceerde fylogenie; de definities zijn geschreven in de geest van de International Code of Phylogenetic Nomenclature (PhyloCode). Waar een naam nooit formeel is vastgelegd, staat dat erbij.

Verder in de vogelstamboom