Alle soorten › Spechtachtigen
Spechtachtigen | Piciformes
Woodpeckers and allies | Pícidos y afines
De voet heeft twee tenen naar voren en twee naar achteren, een grip waarmee de vogel zich verticaal op een stam of tak kan vastzetten. In het gidsgebied bestaat de orde vooral uit spechten, aangevuld met een toekan op Trinidad. De Grote Antillen hebben een reeks endemische spechten, zoals de Cubaanse groene specht en de Fernandina-grondspecht op Cuba, de Hispaniolaspecht en de Antilliaanse dwergspecht op Hispaniola, de Jamaicaanse en de Puerto Ricaanse specht; op de Kleine Antillen komt alleen op Guadeloupe een specht voor. Trinidad en Tobago hebben Zuid-Amerikaanse soorten. Alle soorten broeden in holten, uitgehakt in dood of levend hout. De witte eieren liggen op de kale bodem of op wat houtsnippers. De jongen komen blind en naakt uit het ei en hebben een verhoornd kussentje op het hielgewricht, waarmee ze op die ruwe bodem steunen. De meeste soorten zijn standvogels; de geelbuiksapspecht komt als wintergast uit Noord-Amerika.
Families in deze orde
- Toekans | Ramphastidae1 soortDe toekans zijn een familie van tropisch Midden- en Zuid-Amerika binnen de spechtachtigen, bekend om hun zeer grote, vaak felgekleurde snavel. Die snavel is lichter dan hij lijkt: onder een dunne hoornlaag zit een netwerk van fijne botbalkjes met veel lucht ertussen, en de goed doorbloede snavel helpt ook bij het afvoeren van lichaamswarmte. Net als spechten hebben toekans een zygodactyle voet. In het gidsgebied komt alleen de geelborsttoekan voor, op Trinidad en niet op Tobago of de andere eilanden; het is een grote, overwegend zwarte toekan met een gele keel en borst, een rode onderstaart en een zwarte snavel met een blauwe basis. Hij leeft in de boomkronen van het bos, eet vooral vruchten en vult dat aan met insecten, eieren en nestjongen van andere vogels. De stem is een schorre, ver dragende, kwakende roep. Er wordt gebroed in een boomholte, en bij het slapen wordt de staart over de rug gevouwen.
- Spechten | Picidae17 soortenEen rechte, beitelvormige snavel en een schedel die de klappen opvangt: de snavelbasis rust op sponsachtig bot, zware nekspieren sturen de slag, en de neusgaten liggen achter dekveertjes die het stof tegenhouden. De tong is buitengewoon lang en draagt aan de punt weerhaakjes of kleverig speeksel; hij wordt gedragen door twee dunne, verlengde botstaven die om de schedel heen lopen en de tong ver buiten de snavel schuiven. De staartpennen zijn bij de meeste soorten stijf en spits en dienen bij het klimmen als derde steunpunt; het klimmen gaat in korte rukjes omhoog, de vlucht in golven van enkele slagen en een duik op gesloten vleugels. In plaats van zang gebruiken ze roffels: een snelle serie slagen op een resonerende tak, waarmee het territorium wordt afgekondigd en een partner gelokt.