Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Alaskastrandloper
Alaskastrandloper | Calidris mauri
Western Sandpiper | Correlimos de Alaska
De Alaskastrandloper broedt bijna uitsluitend in West- en Noord-Alaska en het uiterste oosten van Siberië, en trekt vooral langs de Pacifische kust naar het zuiden. Een deel van de populatie overwintert echter aan de Atlantische kant, langs de Golf van Mexico en in het Caribisch gebied. Hier is hij een wintergast die tussen de veel talrijkere grijze strandlopers en kleinste strandlopers moet worden opgespoord.
Geluid
Een hoog, dun tsjiet of dzjiet, hoger en fijner dan de roep van de grijze strandloper.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–17 cm, met zwarte poten en een zwarte snavel die langer is dan bij de grijze strandloper en aan de punt licht neerbuigt; bij vrouwtjes is de snavel het langst. In winterkleed lichtgrijs van boven met donkere schachtstrepen, wit van onder, met een fijn gestreepte borstzijde. Jonge vogels in de herfst hebben roestkleurige randen aan de bovenste schouderveren, die als een rossige band opvallen. Volwassen vogels in zomerkleed tonen veel roest op schouders, kruin en oorstreek en pijlvormige vlekken op borst en flanken.
Verwarringssoorten
De grijze strandloper Calidris pusilla heeft een kortere, rechte snavel met een stompe punt, mist meestal de roestkleur op de schouders en ruit later naar winterkleed; korte-snavel-Alaskastrandlopers en lang-snavel-grijze strandlopers overlappen, zodat niet elke vogel te determineren is. De kleinste strandloper Calidris minutilla is bruiner, met gele poten. De bonte strandloper Calidris alpina is groter, met een langere, duidelijker gebogen snavel.
Leefgebied
Slikken en getijdenvlakten, zoutpannen, ondiepe lagunes, zuiveringsvijvers, rijstvelden en zandstranden. Foerageert vaak in iets dieper water dan de grijze strandloper en steekt de snavel dan diep in de modder.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Wintergast en doortrekker in het hele gebied, het talrijkst in het noorden en westen: Cuba, de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (vooral de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden. In de Kleine Antillen onregelmatiger en in kleiner aantal, al wordt de soort op Guadeloupe en Barbados geregeld gezien. In het zuiden op de ABC-eilanden (vooral Bonaire), San Andrés en Trinidad en Tobago. Buiten het gebied overwintert ze langs de kusten van de Verenigde Staten, Mexico en Midden-Amerika tot het noorden van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van oktober tot maart op slikken en zoutpannen van Cuba, Puerto Rico en de Bahama's. Voor determinatie het best in augustus en september, wanneer jonge vogels hun rossige schouderband tonen en de vroege ruiers al grijs zijn terwijl de grijze strandlopers er nog bruin uitzien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is talrijk, maar sterk afhankelijk van een klein aantal grote pleisterplaatsen langs de Pacifische kust. In het Caribisch gebied verdwijnen slikken en zoutpannen door kustbebouwing en havenwerken.
Wetenschappelijke naam
Calidris mauri | (Cabanis, 1857)
Cabanis beschreef de soort in 1857 als Ereunetes Mauri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. mauri eert de Italiaanse botanicus Ernesto Mauri (1791–1836). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.




